interviews

06 februari 2009

EEN MAN EN ZIJN WIELEN

Het leven is herhaling. Hoe vaak heb ik niet een rammeltje in mijn auto gehad, een onbestemd, moeilijk te traceren geluid (het kan ook een zoemtoon zijn, of iets dat piept of schuurt of aanloopt of slipt of reutelt) waar je in eerste instantie niets achter zoekt (je houdt jezelf voor dat het verbeelding is), dat anderen niet kunnen te horen, maar dat uiteindelijk tot wanhoop drijft.

Heel vaak.

Tot niet zo lang geleden reed ik in een auto die me om de haverklap op dit fenomeen trakteerde, maar wij, auto en ik, waren zo gehecht aan elkaar en de garage waar we in onderhoud waren dat we er niet toe kwamen afscheid van elkaar te nemen, ik bedoel; een mens kan zo hartstochtelijk van zijn wielen houden dat de liefde wederkerig lijkt te worden; je praat op het laatst met elkaar. Toch rijd ik al een tijd niet meer in die grote liefde; zij staat ergens op de Betuwe keurig in een garage op mijn terugkeer te wachten. In de tussentijd rijd ik in een andere auto, een echte auto, een nieuwe auto, een auto die met een paar honderd kilometer op de teller tot me kwam, inclusief wit-lederen bekleding en boordcomputers.

Een genot, die auto.

Tot ik een paar dagen geleden ineens linksvóór een rammeltje hoorde, een klein slepend geluidje, iedere keer als ik een gas gaf. Het geluid deed me denken aan aanlopende lagers, want dat had ik met mijn grote liefde eens meegemaakt, daar herkende ik dit rammeltje van. Ik begon ermee mezelf voor te houden dat het onzin was. Daarna kwamen de feiten: nieuwe auto, net nog een grote beurt gehad, winterbanden erbij, enzovoorts. Maar de feiten en ik, wij lagen elkaar niet. Er was iets aan de auto veranderd, ik voelde het. En ik hoorde het, iedere keer als ik mijn voet een dotje gas liet geven.

Op naar de oude garage.

Daar keken ze op van mijn komst. Aan een nieuwe wagen mankeerde toch niets? En daarbij; ik was met deze nieuwe bolide niet bij hen in onderhoud. Nog los los daarvan; als je de kap opendeed, lag er geen motor onder waar je je lekker over heen kon buigen om er aan te sleutelen, maar een schitterend aaneengesloten blok waar alles in opgesloten lag. Alleen de olie kon je zelf peilen, en de ruitenvloeistof bijvullen. Voor de rest was de auto een computer die ter controle op eenn andere computer kon worden aangesloten en dan rolde ieder foutje er automatisch uit.

"Maar ik hoor een rammeltje," hield ik vol, "rij nou even een stukje mee."

De oude garagist in zijn vieze stofjas kroop achter het stuur, en ik naast hem. We waren meteen weer een goed duo en ik geloof dat hij na een paar honderd meter ook precies hoorde wat ik bedoelde. Maar wat was het? Het kwam niet uit de motor, en niet uit de versnellingsbak. Nee, met die lagers had het ook niets te maken, dat klonk weer anders, vooral in lange bochten. We namen net een lange bocht en er was niets anders te horen dan het beroemde roffelen van de Volvo-motor. "Heerlijk rijdt-ie," mompelde het naast me.

We keerden bij een benzinestation. Terwijl ik een pakje kauwgum kocht, hurkte de garagist bij het linkervoorwiel. Ik zag zijn tedere handen zoekend in de donkere wielkast verdwijnen en weer terugkomen. Hij veegde ze af aan zijn jas.

"En?" vroeg ik toen we weer reden.

"Ik hoor niets meer. Jij?"

Ik hield zo lang als ik kon mijn adem in en hoorde alleen mijn eigen bloed suizen - er zat geen rammeltje in.

Geschreven op 06 februari 2009