30 januari 2009
VOGEL IN HET DONKER
Vanochtend werd ik wakker van een vogel in de binnentuin. Geen merel, geen meeuw, geen koolmees, maar gewoon een vogel, aan het geluid te oordelen zelfs een heel klein exemplaar. Maar het beest had de moed er goed in en dat kon ik van mezelf niet zeggen. Het was nog donker buiten.
Ik lag een tijdje naar het gesjirp te luisteren.
Als hardnekkige stadsbewoner heb ik eigenlijk nooit iets met vogels gehad, maar de laatste jaren heeft zich een duidelijke belangstelling voor al wat vliegt en zingt in mij genesteld. Niet dat ik ooit overwoog er met een verrekijker op uit te trekken, lid te worden van een ornitologisch genootschap of een kanarie aan te schaffen, maar bij de nationale vogeltelling, afgelopen weekend, was ik voor de tweede keer present: géén vogel in mijn tuin geteld.
Jammer.
Om te ontdekken wat andere vogelmensen horen en waarnemen bezoek ik op het internet af en toe de natuurkalender. Daar las ik gisteren dat de grote bonte specht zijn eerste roffel alweer had gegeven, ergens in de buurt van Culemborg, dat de eerste vinken waren gehoord en dat ook de tjiftjaf weer in actie is.
Goed nieuws.
Maar nu ik in het donker lag te luisteren naar mijn tuin had ik daar niets aan. Ik zou zo aanstonds het bed moeten verlaten en met de blote voeten op het koude zeil staan om me moeizaam in zoveel mogelijk kleren te hijsen. Blijven liggen was geen optie, er moesten dingen gebeuren. Soms zou je willen dat er eens niets hoefde te gebeuren en dat aan die toestand ook geen einde kwam, maar ik ben bang dat ik me dan ga vervelen. Dat is ook het probleem van de dood. Dan heb je niets meer te doen.
Het vogeltje floot dapper voort.
Er kwam over mij ineens een warm en voldaan gevoel. Merkwaardig. Een paar tellen geleden had ik nog somber tegen het leven aangekeken, maar nu was ik ineens even compleet in tune met de dingen en ik probeerde dat gevoel zo lang mogelijk te rekken, hoewel ik me na enige tijd wel zorgen begon te maken: zou het wel aan kunnen houden, dit wondere gevoel?
Nee natuurlijk niet.
Zat het hem in het vogeltje dat ik niet meer hoorde of in mijn eigen voeten en benen die plotseling onder de warme dekens vandaan wiekten om aan het barre, winterse ochtendritueel te beginnen? Zat ergens in mij een klok die anders tikte dan de klok die ik hoorde? Het was een merkwaardige vraag.
Ik stond op, kleedde me aan.
Nog altijd was het donker, maar de eerste tekenen van licht dienden zich al aan. Hoewel het licht van boven komt, van de zon, heb ik altijd de indruk dat het beneden ons zijn oorsprong heeft, aan de bodem ontschiet. Dat heeft misschien te maken met het feit dat de aarde rond is, ik wist het zo snel niet terwijl ik stond te wankelen in de rechterbroekspijp - de linker had ik al aan.
Ik viel niet.
Uiteindelijk kwam ik op straat terecht. Er hing een dunne, zilveren mist tussen de donkere huizen. Over de brede straat verderop denderde een bus vol passagiers. Ik stapte in de auto en startte de motor. Alle magie van zoeven was verdwenen. Andere auto's reden voorbij, trams, fietsers, het leven was weer begonnen. Toch deed ik de radio niet aan, om zo lang mogelijk aan het vogeltje van daarnet te kunnen denken, kinderachtig misschien, maar waar.
Geschreven op 30 januari 2009

