interviews

12 januari 2009

VERLANGEN NAAR EEN BOSRAND

Wat ik mis, is een bosrand. Dat schoot me gisteren te binnen toen ik E.B. White's One Man's Meat zat te lezen. Dat is een van mijn favoriete boeken, en er komt een bosrand in voor.

Eens in de zoveel tijd haal ik het boek uit de kast te voorschijn en blader ik het door. Ik heb er diverse edities van; een paar recente, eentje van twintig jaar geleden, eentje uit 1944, gedrukt op een soort WC-papier, omdat papier in de oorlogsjaren schaars was. In die laatste editie bladerde ik.

Wat moet een man met een bosrand, hoor ik u vragen. Welnu: je kunt naar een bosrand kijken. Een bosrand is interessanter dan achterburen. Er kan altijd iets gebeuren in een bosrand.

Een ree komt te voorschijnt en zet voorzichtig een paar passen in het berijpte grasveld. Nog een ree komt te voorschijn uit de kale bosrand. Twee reeën zijn mooier dan één ree, vind ik. Het mooiste vind ik de verlegenheid van die dieren.

Tot ze schrikken.

Eenmaal geschrokken, valt hun schroom onmiddellijk van ze af en maken ze zich beslist uit de voeten. De voorzichtigheid van hun voetstappen verandert ineens in grote trefzekerheid. Dansend verdwijnen ze de bosrand in.

De bosrand moet niet te ver weg zijn. Ik ben slecht in het schatten van afstanden, maar honderd meter lijkt me mooi genoeg. Ik stel me zo voor dat ik door een vrij klein raam zicht heb op de bosrand. In de vensterbank staat een verrrekijker. Een werktafel staat tegen het raam geschoven. Ik kan zo lang ik wil naar de bosrand staren en net doen alsof ik zit te werken. Ik hoop dat er ook een open haard in de kamer is Een zacht knetterende vuur. Is het aanmaakhout op, dan moet ik te voet naar de bosrand en op zoeken naar takken en twijgen.

Fantaseren over het platteland is misschien nog wel mooier dan wonen op het platteland, denk ik wel eens. Waar zou ik mijn bosrand willen situeren? In Drenthe? In Twente? In Brabant? In de buurt van Vierhouten op de veluwe? In Limburg? Dat weet ik niet. De ene bosrand is de andere niet, maar toch lijken ze allemaal op elkaar.

Er kan een vos te voorschijn komen die het op mijn kippen heeft voorzien. Vossen zijn vooral actief in de hele vroege ochtend en 's avonds bij zonsondergang. Het zijn mooie dieren, maar na een paar geroofde kippen, verlies je het oog voor hun schoonheid. Dan moet de vos geschoten worden.

Ook zou ik graag een moestuin hebben, het liefst in het blikveld richting bosrand. Niet dat ik mezelf actief bezig zie in een moestuin, maar toch. Tomaten, bonen, uien, boerenkool, het zijn van die dingen die een man zelf moet verbouwen. Lekker schoffelen met een strohoed op, zo zie ik de zomermiddag voor me. En bij zonsondergang de tuinslang er op.

Terug naar de bosrand.

Wat verwacht ik daar nou van? Niets eigenlijk. Maar het niets van een bosrand is nooit lang niets, althans: voor het geoefende oog. En ik oefen mijn oog met plezier; ik zie graag steeds meer, en wil overal het stempel van de taal op drukken. Dat is het werk van de schrijver. Alles verdient een naam, dan pas gaat het echt leven. Ooh ja, een waslijn met bevroren onderbroeken hoort er ook bij. Witte, uitgezakte onderbroeken.

Geschreven op 12 januari 2009