15 januari 2009
LELIJK NEDERLAND
Er voeren twee wegen naar Den Haag. Voor mij dan. De A4 langs Roelofarendsveen, Leiden en Voorschoten of de A44 langs Sassenheim, de achterkant van Leiden en Wassenaar. Mijn voorkeur gaat uit naar de laatste. De aankomst in Den Haag is dan mooier: de weg eindigt praktisch op het Malieveld.
Gisteren kreeg ik onderweg naar Den Haag pech. Dat heb ik zelden. Allerlei lampjes begonnen op het dashboard te knipperen. Een feestelijk gezicht, maar ik nam toch maar de eerste de beste afslag die zich aandiende; afrit 2, naar Abbenes en Kaag (dorp). De afrit deed zijn naam alle eer aan: vrij steil doken we de snelweg af. We kwamen bij een smal kanaal. Linksaf ging het naar Kaag (dorp) en Buitenkaag, rechtsaf naar Abbenes en Nieuw-Vennep, dorpen in de Haarlemmermeerpolder.
Ik ging linksaf, onder de snelweg en een spoorwegbrug door, en daar lag aan de rechterhand een klein parkeerterreintje omgeven door struikgewas. Er daverde een trein voorbij toen ik uitstapte. In oostelijke richting strekte zich een donkere akker uit; de klei was bijna zwart. Piepklein in de verte was een tractor bezig het veld om te ploegen. Een zwerm meeuwen volgde.
Daar stond ik.
Ik stapte uit en onmiddellijk kwamen er een paar kippen te voorschijn. Ik heb geen verstand van dieren, dus ik weet niet wat voor kippen het waren. Ze zagen er in ieder geval gezond uit, en ze waren niet al te groot. Compacte kippen, zal ik maar zeggen, een stuk of zes. Verder lagen in de struiken lege vodkaflessen, chipszakken, poepluiers en roestige blikjes. Aan een tak hing uitdagend een gebruikt condoom. Iemand had de behoefte gehad een spoor achter te laten, maar ik kwam er niet uit of het nou bravoure of treurigheid uitstraalde.
Motorkap open.
Wat te zeggen?
Het motorblok lag er prachtig bij. Hier en daar liepen wat slangen. Ik trok de oliepeilstok omhoog, meer om mezelf een houding te geven dan om er conclusies aan te verbinden. De olie aan de stok glinsterde zacht in het zwakke zonlicht. Ik stak de stok terug in de motor. Dat was het. Meer kon ik niet doen. Een bijna lachwekkende hulpeloosheid kwam over me, zo weinig wist ik van auto's. Je stapt in, je start hem en je rijdt weg. Het idee dat er iets mis kan gaan, komt zelden in je op.
Ik liep een rondje over het parkeerterrein en een stukje langs het kanaal dat naar het Kagermeer ging. Een tamelijk grimmig stukje landschap was dit. Nederland wordt steeds meer aangeharkt; er is geen ontsnappen aan. Rotondes, verkeersdrempels, snelwegpanorama's, kunstwerken her en der, hippe bruggen, noem maar op. Een stukje lelijkheid is best moeilijk te vinden, gewoon gore, grimmige lelijkheid.
Hier liep ik er middenin.
De plek was nog het meest geknipt voor de misdaad, het parkeerterreintje ideaal voor de overdracht van losgeld of een lijk in de struiken. Een plaats delict, om het in politetermen te zeggen. Nu alleen nog een delict.
Intussen raasde boven het verkeer voorbij. Als over dat geluid iets gezegd kan worden is het wel dat het onverschillig is, onverschillig geluid. Mensen onderweg, ieder met zijn eigen besognes aan de kop.
Ik kreeg het koud en ging weer in mijn auto zitten. Er zat niets anders op dan de ANWB te bellen. Ik had zelfs mijn lidmaatswchapspasje bij me. Maar voor ik het nummer draaide, startte ik nog even de auto. Het dashboard bleef donker. Geen enkel lichtje dat knipperde. Ik reed een paar meter, maar er gebeurde niets. Ik besloot dus maar het er op te wagen en even later was ik weer onderweg naar huis.
Geschreven op 15 januari 2009

