interviews

13 augustus 2008

EEN BEETJE ONWEER

We worden wakker van onweer,
De hond en ik. Donder en bliksem
Zijn in haar beleving onze grootste
Vijand, zo groot zelfs dat zij de
Baas er maar nauwelijks tegen
Kan beschermen, zeg maar: niet.

En daar zit ze mee, daar lijkt ze
Zich voor te schamen, piepend,
De staart tussen de benen, happend
Naar adem. Kwijlend en boos, de neus
Wijdopen om maar zoveel mogelijk
Van het kwade zwavel op te snuiven.

Het is nu aan mij de hond te troosten,
En al doende ook rustig te houden,
Anders valt zij die vuige bliksem aan,
Duikt ze door de ruiten, het donderende
Luchtruim in. En dat moeten we niet
Hebben – en hoe vaak heb ik haar nu
Al uitgelegd dat zo’n onweer altijd
Voorbij gaat? Dat het altijd eindigt
In vredig druppelen en frisse lucht?

Enfin.

Ook nu gaat het voorbij en ook nu
Vallen we in slaap, om een paar uur
Later wakker te worden zonder Rob Trip,
Maar met strijd aan de vloer, judo, een
Geesink op een fiets, Pieter van den
Hoogenband die sneller zwemt dan
Hij ooit zwom, alleen zijn er nog drie
Anderen die nog sneller gingen
Dan hij, en de dames waterpolo die
Er helemaal voor gaan, want wij, wij
Moeten winnen, anders liggen we er uit.
Ja, dat is topsport en heel andere koek
Dan een beetje onweer.

Geschreven op 13 augustus 2008