16 juli 2008
OCHTEND IN FRANKRIJK
Bij Adrie de sigarenman hier om de hoek
Koop ik iedere ochtend de Herald Tribune
En Libération – zo is het alsof ik toch in
Frankrijk ben. En ook het weer is Frans:
nooit een ochtend dat je niet omhoog
Kijkt – uit welke hoek komen de wolken,
Wat doen de zwaluwen, dartelen ze hoog
En verveeld rond of scheren ze laag over?
Dat werk.
Van die dingen die ik op mijn Franse
Erf doe, maar nu dus ook in Amsterdam.
Het maakt kennelijk niet uit waar ik ben
Dat erf draag ik met me mee, dat erf
Dat ben ik, of beter gezegd: dat erf dat zijn
Wij – straks verschijnt de eerste van mijn meiden
Op de drempel van de keukendeur: slaap
Nog in de ogen, het lange haar vol nesten,
Zoals mijn moeder dat vroeger noemde
(“Achter wonen ook mensen,” beet ze
Je toe als je wat al te snel en slordig
De borstel door je haar had gehaald)
Maar goed.
Daar is de eerste van de meiden, het kralengordijn
Splijt voor haar open, en ze houdt halt, in de
Zorgvuldige pose van een puber net uit bed, een
Oud T-shirt van haar vader als een nachthemd om
De ranke gestalte – ja, vrouwen worden het, die
Meiden: daar kun je op wachten. Alleen ben
Ik niet zo’n wachter. Altijd zwaar gevonden:
Wachten – van alle werkwoorden het enige dat
Mij altijd en onveranderlijk aan dat putje in een
badkamer doet denken – alle water die het lichaam
Reinigt, verdwijnt uiteindelijk door dat putje, en
Zwijgt eindelijk de douche, dan ligt dat putje
Daar maar te liggen, steeds nadrukkelijker
De bron van rot en dood
Al vrij snel na de eerste puber arriveert
Dan nummer twee, met knipperende ogen
Tegen de zon neemt ok zij aan de ontbijttafel plaats,
En met een beetje geluk, voor mij, steekt
Ook zij een verse aardbei in de mond,
Het sap druipt aarzelend lags haar kin, ze weet
Van niets en vraagt dan “Zeg, is er wat?”
“Hoezo?”
“Nou, je zit zo te kijken. Daar hou ik niet van.”
Geschreven op 16 juli 2008

