interviews

01 juli 2008

HILVARENBEEK

Laatst was ik in Hilvarenbeek. Eerlijk gezegd had zich in mijn hoofd het idee vastgezet dat Hilvarenbeek in de Achterhoek of ergens op de Veluwe lag, maar het ligt dus diep in Brabant, onder Tilburg. Vreemd eigenlijk dat ik met deze omissie in mijn aardrijkskundige kennis zo lang en vreedzaam heb kunnen leven. Maar ja - niets had mij ooit naar Hilvarenbeek gelokt.

Nu wel.

Ik ging namelijk in Hilvarenbeek een boom bekijken - één van de oudste lindebomen van het land, een boom waaronder in de zestiende eeuw al recht werd gesproken door de Heer van Hilvarenbeek en die er dus nog steeds staat. Nu weet ik dat er weinig te zien is aan een oude boom, maar toch gaat er een zekere aantrekkingskracht van uit.

Als zo'n boom zich alles zou kunnen herinneren wat zich onder zijn takken en bladerdek heeft afgespeeld, dan zouden heel veel romans niet geschreven hoeven te worden. Los daarvan gaat er een troostende werking uit van iets heel ouds dat nog steeds leeft. De moeite alleen al die dat kost. Of draait een boom z'n hand daar niet voor om?

Nog mooier.

De linde van Hilvarenbeek staat op het Vrijthof, het centrum van het dorp. Laat ik niet al te lyrisch worden, maar het hart van Hilvarenbeek mag gerust de mooiste dorpskern van Nederland worden genoemd. Het bestaat namelijk uit gras; een perfect gemaaide vlakte groter dan twee voetbalvelden met een rfietgedekte muziekkapel, bomen en een klein standbeeld van de dichter Anton van Duinkerken die hier in Hilvarenbeek graag een glas kwam drinken, ofwel in De Zwaan of 't Schouwke, danwel in de herberg Sint Petrus, naast de enorme kerk die ook aan het Vrijthof ligt.

Schuin tegenover de ingang van de kerk staat de oude linde. Rond de stam is een bank getimmerd die eruit ziet alsof er altijd wel mensen op zitten, gewoon om te kletsen, te mijmeren, van de schaduw te genieten of om te wachten op de bus. Ik scharrelde wat rond op dat Vrijthof. Het viel nog niet mee om het gevoel van "Ontdek-je-Plekje" van me af te slaan, ik bedoel, vanzelfsprekende schoonheid krijg je niet iedere dag zomaar op je bord.

Na twee rondjes wandelen diende zich een limousine aan voor de ingang van de kerk. Er stapte een bruidspaar uit dat Gods zegen niet nodig had, maar wel het prachtige pad over het gras naar het tegenovergelegen gemeentehuis wilde afleggen, dit vanwege de fotoreportage die gemaakt ging worden door een heftig zwetende, met tassen en camera's beladen man op leeftijd.

Bruidsparen mag ik graag zien.

Dit was een stel dat niet teleurstelde: de vrouw was hoog en blond, in de dertig. Ze had brede, naakte schouders, met op de linker een tatoeage. Ze had een brede, grote mond waar haar bruidsboeketje, als ze hem opensperde, makkelijk in zou passsen.

De bruidegom was klein en tenger, nog geen vijfentwintig, en verdronk in het donkere pak dat hij droeg. Je zou het komisch kunnen noemen, maar eigenlijk hoort het zo, zo groot en ongewis is de toekomst die een huwelijk tegemoet gaat.

Het was onmogelijk geen medelijden met de jongen te hebben, en zelf droeg hij een steentje bij door nogal schichtig om zich heen te kijken. Terwijl het bruidspaar op het gemeentehuis af liep, schrijden was er niet bij, deed de fotograaf zijn werk en verzamelden zich gasten en voorbijgangers langs het pad om het jonge geluk te bekijken, nee, aan te moedigen. Ik liet het tafereel het tafereel. Ik kon het niet aan, ik durfde niet mee te kijken - de toekomst van deze mensen in. Ik faalde, zou je kunnen zeggen, daar in Hilvarenbeek.


Geschreven op 01 juli 2008