14 juli 2008
HET LEVEN ALS HOND 2
De hond weet: er is iets met de baas. Maar wat? Dat weet de hond niet. Sowieso geen dier van naadjes en kousen. Weten dat er iets niet klopt, dat volstaat.
Wat te doen?
Veel mogelijkheden heeft de hond niet. Hij kan, als de nood aan de man komt, het zweet van baasjes voorhoofd likken. Zeker, dat kan hij. Twee vliegen in één klap bovendien. Heerlijk, dat zilte zweet. En baas vind het wel lekker, die ruwe tong. Die indruk heeft hij tot nu toe gewekt. Ja, likken is goed.
Verder kan er gewaakt.
Daar is de hond natuurlijk erg bedreven in. Vraag een hond wat hij kan, en hij denkt aan waken. Hij waakt nog voor hij denkt, zou je zelfs kunnen zeggen. Maar daarmee zijn we er nog niet.
Hoe te waken?
De hond kan waken op afstand, en waken van heel dichtbij. Bij het eerste moet je oppassen: baas moet wel snappen dat er over hem wordt gewaakt. Waak je daarentegen van heel nabij, dan kan baas zich gaan ergeren, of het zelfs verkeerd begrijpen. Gaat-ie je bemoeizuchtig vinden.
Dan het volgende.
Ook een puntje.
Waar kijk je naar als wakende hond? In eerste instantie, het meest logische, naar de baas. Gaat het wel goed met hem? Maar vindt de baas het wel leuk als je de hele tijd naar hem kijkt? Op die vraag weet de hond het antwoord.
Dat vindt de baas niet leuk.
En dat doet best een beetje pijn.
Natuurlijk, het is best begrijpelijk: twee van die trouwe, bruine knikkers die de hele tijd zorgzaam op je gericht staan, daar kan zelfs de grootste hondenvriend kriegel van worden. Maar aan de andere kant: je moet als hond toch voortdurend weten wat er met de baas gebeurt - wat er in hem omgaat, waar hij aan denkt, wat hij vreest. Het hondenleven is een en al anticipatie.
Het is leven voor twee.
Slim zijn dus, daar komt het op neer. De baas vanaf veilige afstand in de gaten houden zonder dat hij merkt dat je hem in de smiezen houdt. Nog best vermoeiend ook: doen alsof je slaapt. En intussen al die zintuigen gespannen houden, oke, de ogen kun je een beetje laten dichtvallen, waken in een soort dommelstand, een goeie hond is daar heel bedreven in, maar neus en oren kun je niet laten verzaken. Als het angstzweet de baas ineens uitbreekt, moet je er zijn, als hond. Niet dat je overeind moet springen, maar al je waakzaamheid is ineens gewenst - waar het gevaar ook vandaan komt.
Heel in de verte een kinderstem, een zuigeling die bij wijze van spreken nog niet eens weet dat hij zo aanstonds gaat huilen; daar moet je als hond op berekend zijn, want zulk geluid kan de baas plotseling in een hele andere baan om een heel andere aarde brengen, om het zo maar eens te zeggen: vergeleken met het leven van een hond is een mensenleven, en zeker een bazenleven, heel complex. Dat zo'n baas het dan ook nog in zich heeft om over een hond te willen heersen, ongelofelijk.
Het zou andersom moeten zijn.
Aldus denkt de hond - terwijl buiten de glazenwasser zijn ladders tegen de gevel plaatst. Als de hond één mens haat (het is een hem nauwelijks gegeven), is het wel die glazenwasser die met zijn doodse, zwarte emmers tegen het huis klimt en door alle ramen zijn onbeschaamde schaamteloze blikken werpt. Was de glazenwasser het gevaar maar, dan kon het waken nu strijden worden. Dan kon iedere spier aangespannen worden, dan had alles zin.
Geschreven op 14 juli 2008

