interviews

16 juli 2008

DE DICHTER EN DYLAN

De dichter woonde hoog boven de stad,
Bij een stevige bries voelde hij heel
Zijn etage heen en weer gaan, althans,
Dat beweerde hij, en waarom
Zouden we hem niet geloven:
Hij was dichter en wij slechts visite die
Voor zijn gedichten kwamen –
Gedichten overigens die niet over wind noch
Over huizen gingen. Was het maar zo;
Dat had de zaken duidelijker gemaakt.

We besloten tot een huizenruil;
De dichter zag zichzelf en zijn werk wel
Een paar maanden op mijn verdieping wonen
(twee hoog, zalmkleurig tapijt) en ik
Was niet bang voor wat wind.
Bovendien had de dichtershut
Ook nog eens een zolder met een
Klein, vierkant dakraam, een versleten
Matras en een wereldontvanger
die verre stemmen uit de lucht
Plukte, alsof zich boven de stad
Een nog diepere werkelijkheid bevond.

Het huis van de dichter was van
Een poetische eenvoud, anders kan ik
Het niet zeggen: bij wijze van tafel
Gebruikte hij een deur, met schragen
Eronder, om op te zitten waren er vier harde
Keukenstoelen. Verder had hij uiteraard
Een omvangrijk boekenbezit, in een gammele
Kast van ruwe, houten planken:
bundels van andere dichters, Spanjaarden,
Chilenen, Mexicanen – mannen met blijkens
Hun foto’s loodzware gedachten onder
Even zo zware oogleden.
Ook was er poezie van eigen
bodem, en zo las ik voor het eerst Gorter
En later alles van Bloem.

Het belangrijkste bezit van de dichter
Bestond uit grammofoonplaten;
gek dat hij die niet mee verhuisde,
Maar misschien kende hij alles van
Buiten en had hij zijn platen dus niet
Meer nodig.

Ze stonden in ieder geval naast een
Donkerbruin Dual-pick-upje dat was opgesteld op
Een omgekeerde, houten fruitkist.
Er hoorden twee boksen bij; de een
Stond in de woonkamer, naast de eettafel
Die dus een deur was, de ander in de werkkamer,
Naast de boekenkast vol dichters. Eén
Tochtvlaag door het trappenhuis,
bracht ook de hele boekenkast
Aan het sidderen –
Heel de poezie verzameld
Kon ieder moment
Omvallen, ja, poezie,
Dat was een gevaarlijke sport,
Dat was een roeping
En geen hobby,
Dat was je lot en daarna pas je leven.

Temidden van de platen nam het werk
Van Bob Dylan een centrale plaats in.
Als ik met goed herinner, had de dichter
Highway 61 Revisited,
John Wesley Harding,
Subterranean
Homesick Blues en
Blonde On Blonde.
Het waren stuk voor stuk platen die hij
Vaak had gedraaid, de hoezen hingen
Van plakband aan elkaar, de zwarte schijven
Zelf waren, als je ze op de juiste manier
In het licht hield, spinnewebben van
Krassen en putten, bereisde landkaarten
Van ziel en dichterlijkheid,
verbeelding en moeizaam beleden durf.

De dichter om wie het hier gaat was
Nog twee jaar ouder dan ik, maar
Toch was hij veel verder-
dat bleek alleen al uit die platen van Dylan.
Voor mij was Dylan een stem van vroeger,
Voor het laatst en het eerst hoorde ik hem
Een plaatkant lang bij George Harrison’s
Bangladesh, daarna was hij voorgoed verdwenen,
Hoewel ook Desire nog wel wat deed.

Maar om te zeggen dat Dylan bij mij hoorde,
Dat hij op de een of andere manier
Tot mij zou kunnen spreken;
Nee. Nooit bij stil gestaan.
Ik draaide Talking Heads, Pere Ubu, Captain
Beefheart (als het moest), Ornette Coleman,
Waylon Jennings, oude soul, ach ja, altijd oude soul.
Mijn vriend de dichter had er ook een leuk rijtje van.
Otis, Aretha, Sam and Dave, noem maar op, de
Helden van Stax en Atlantic.

En er was dus die Dylan.

Met enige regelmaat kwam de dichter
Langs, vaak middenin de nacht.
Hij kwam dan zijn post halen
En de mijne bezorgen. We spraken
Over het leven en de literatuur,
De vrouwen en de muziek. En altijd kwam
Het gesprek uiteindelijk op Dylan:
Ik moest dan, zei de dichter
met typische dichterlijke klem
Op twee dingen goed letten: de energie
van de zanger en de schaamteloosheid
Waarmee hij deed wat hij deed,
De dierlijke gretigheid waarmee hij er in knalde.

Oke, je kon je ook blind staren
Op de teksten, je kon zelfs Dylan als
Dichter zien, maar dan ging je de mist in.
Je moest luisteren
Naar zijn durf, of beter gezegd:
Durven luisteren – dan hoorde je meer
Dan er was, misschien wel je eigen ambitie,
En het noodzakelijke tekort.

Het waren lange nachten
Die wij zo doorbrachten,
Vaak onderbroken
voor een bezoek aan snackbar
De Pinguin om nog wat halve liters
Heineken te halen. Daarna ging het
Weer verder over Desolation Row,
It Takes A Lot to Laugh,
It Takes A Train To Cry of It’s Alright, Ma
(I’m Only Bleeding).

Boven de stad kwam langzaam
Die zilveren glans van de ochtendschemering
Te hangen, heel in de verte rolden de trams
Al verlegen de remises uit.
We luisterden twintig jaar na dato naar
Platen die klonken alsof ze
Zojuist waren gemaakt.

De mooiste bewaarden we
Voor het laatst: John Wesley Harding.
Die plaat had ooit lange tijd
In de zon gestaan en was zo krom als een
Hoepel. De naald ging er echt bergje op,
Berg af in de groeven.

Ademloos zaten de dichter en ik
Naar die zwoegende, springende naald
te kijken: zouden we het einde halen?

En waar bleef de nieuwe dag?

Geschreven op 16 juli 2008