05 juli 2008
ALGEMENE KENNISGEVING
Ik lees in de krant dat ik met vakantie ben. Of ben ik op vakantie? Daar kun je lang over bakkeleien - vindt u dat ook zo'n mooi woord: bakkeleien?
Ik wel.
Maar goed, ik ben dus niet weg of op, maar gewoon thuis. Om me heen is het stil, dat wel. De meeste mensen zijn afgereisd naar zuidelijke oorden. Velen moeten zijn vertrokken zonder een passende oplossing voor hun poes: de glasbakken, bomen en parkeerautomaten in de buurt hangen vol aanplakbiljetten.

De meeste posters hingen er overigens al voor de schoolvakanties begonnen. Poezen verdwijnen hier zo makkelijk omdat overal wordt verbouwd; deuren staan open, bouwvakkers uit alle hoeken en gaten van het voormalige Oostblok lopen af en aan; de katten kunnen de veilige wereld van hun binnentuinen makkelijk verlaten.
Tsja.
En dan sta je op het punt met (of op) vakantie te gaan en de poes is zoek. Je had nog wel geregeld dat je zus hem iedere dag even eten zou komen geven. Of je had een plekje in een dierenpension weten te bemachtigen. Of: de poes zou gewoon mee, in haar reiskoffer.
Wat te doen?
Een vakantie cancelen omdat je poes weg is? Ik zou het doen, maar wie ben ik? Ik ben de achterblijver in een stille buurt vol wanhoopskreten. Wat te doen als op je vakantieadres ineens de telefoon gaat en iemand blijkt, 1300 kilometer noordwaarts, je poes te hebben gevonden, of beter gezegd: een poes die aan het signalement op je poster voldoet. Ik zou meteen in de auto stappen.
Maar wie ben ik?
Waarom eigenlijk?
Over dat soort vragen kun je maar beter niet te lang nadenken, maar soms steken ze toch even de kop op boven het maaiveld. En omdat de rust om me heen soms zo compleet is, zeg om een uur of zes 's ochtends, sta ik er toch vaker bij stil dan me lief is. Gelukkig heeft zich nog niets aangediend dat ook maar in de verste verte op een antwoord lijkt. Ik ben een man van vragen.
Hoe dan ook.
Ik heb zes weken rondgelopen met de kans op een dwarsleasie. Eén verkeerd genomen traptrede, één onnozel valletje, een noodstop met de auto, en ik had in een rolstoel gezeten. Ergens in mijn nek is een wervel volkomen aan gort. De zenuwen, die langs die wervel lopen, ziitten bekneld - ze veroorzaken helse pijnen in mijn linkerarm en hand, mijn schrijfhand. Wat is een schrijver zonder de hand waarmee hij zijn pen moet vasthouden.
Weer een vraag.
Ik heb nog meer kwalen, en de behandeling daarvan vergt dat ik voorlopig in de stad moet blijven. Ik zal niet zeggen dat de ramp als geroepen is gekomen, maar hij inspireert me wel: het leven tot nu toe eens goed te overdenken en de toekomst nieuw in te richten. Rust, reinheid en regelmaat, omgeven door die drie R-en, en mijn drie vrouwen, ben ik vrolijk en soms zelfs gelukkig. Ik hoor dat in de stad het gerucht dat ik dood ga. Welnu, dood gaan we allemaal. Dat is het antwoord op alle vragen.
Achttien augustus ben ik terug in de papieren krant. Tot die tijd zal ik hier berichten, dichten en rommelen. Dat doe ik voor mijn plezier, en omdat ik het lonken nu eenmaal niet kan laten. Ik dank u voor uw aandacht.
Geschreven op 05 juli 2008

