interviews

25 juni 2008

DE GEUR VAN VERLANGEN

Aan de Voorstraat in Buitenpost ligt een stuk van mijn geschiedenis. Ik had daar een oom en tante die een handel in veevoeders, aardappelen en steenkool bestierden. Ze woonden in een keurig, ouderwets, typisch Fries burgerhuis, met een klein voortuintje en daarnaast een klinkerpad dat naar het terrein achter het huis liep. Daar stond een oude, vervallen school die ze gebruikten als pakhuis.

Aan de andere kant van het pad stond een klein pandje. Daarin was een sigarenmagazijn gevestigd. Het werd gedreven door een kleine dame in een blauwe schort. Haar naam is me ontschoten. Achter de oude school stonden gammele loodsen: daarin lagen de steenkolen. Naast het terrein: de Gereformeerde Kerk, waar oom en tante, pake en beppe en alle andere ooms en tantes die ik in de buurt had, kerkten.

Oom en tante hadden vijf kinderen; twee jongens en drie meiden. In de tijd dat ik bij hen logeerde, was ik een jaar of twaalf. Mijn neven waren te groot voor me; de oudste negentien, de ander zeventien. De nichten waren achttien, zestien en dertien. Die laatste was het nakomertje. De oudste neef heette Harry, hij hielp in de zaak en had zijn rijbewijs. De andere neef heette Sytze, hij zat op school en was heel technisch. Altijd met brommers bezig. De nichten: Lut, Rennie en Aukje. Mijn favoriet was Rennie.

De handel in aardappelen, veevoeders en steenkool bracht een hoop activiteit met zich mee. Mijn oom en diens broer en Harry waren de hele dag bezig in de wijde omtrek spullen te bezorgen. Ze hadden daartoe een ouderwetse vrachtwagen met een enorme neus, rood van kleur. Er was ook een blauwe Volkswagen-bestelbus. Mijn tante, of nichten, deden de aardappels – de hele dag door kwamen er mensen het erf op die aardappels kwamen kopen. Vijf kilo, tien, vijfentwintig. Beneden in de oude school, die ‘het hok’ werd genoemd, hing een grote weegschaal. De zakken met de verschillende soorten aardappels stonden er omheen. Ik geloof dat er ook kippenvoer werd verkocht. Boven de aardappels was een zolder, daar lag ook van alles in juten zakken. Achter de aardappels, en links en rechts ervan waren oude lokalen waar grote stapels slikkoeken voor koeien stonden, en balen voer in zakken van UTD.

Het was voor een jongen van twaalf het paradijs. Overal waren plekjes waar ik stiekem kon roken, bijvoorbeeld, en anders verstopte ik me wel ergens om te fantaseren over de oorlog (mijn oom was in het verzet geweest en na de oorlog in Indië) en over meisjes natuurlijk.

Het mooiste was als ik mee mocht op de vrachtwagen, die meestal door ome Jappie, de broer van mijn oom, werd bereden. Ome Jappie was een man tegen wie ik enorm tegenop keek. Om te beginnen rookte hij als schoorsteen – altijd North State. En hij had blond haar dat in een woeste kuif onder een nonchalant gedragen pet uitkwam. Hij deed het goed bij de boerinnen waar we langsgingen met de veevoeders. Hij hield verder erg van muziek. In de vrachtwagen stond altijd de radio aan. Het allerallermooiste was met ome Jappie en mijn oom samen naar Leeuwarden, ’s ochtends heel vroeg, om bij de fabrieken van Koopmans en UTD nieuwe voorraden te halen. Ging ik niet mee op de vrachtwagen, dan reed ik met neef Harry of mijn oom mee in het VW-busje.

Die reizen met de vrachtwagen en de bus waren het hoogtepunt van de dag. Als ik geluk had mocht ik ook helpen met het sjouwen van de zakken die van de wagen moesten – een zak van 25 kilo konden mijn schouders tillen. Stoer was het. En beter dan de klusjes die mijn tante voor me had en waar ik een papieren rijksdaalder mee kon verdienen: met een oud aardappelschilmesje moest ik dan het onkruid tussen de tegels en kasseien van het erf halen. Maar ik durfde geen nee te zeggen, als tante me het werkje opgaf, en de rijksdaalder had ik nodig om Matrozenshag en dropveters te kopen.

De belangrijkste bijeenkomst bij mijn oom en tante thuis was de lunch ’s middags; het warme eten. Mijn tante had dan stevige Hollandse kost gekookt – ik herinner me vooral tuinbonen met spek en vet en aardappelen – en alle zoons en dochters en ome Jappie zaten in de keuken aan tafel. Er werd gebeden en gekletst en gegeten en ruzie gemaakt, vooral tussen mijn oom en zijn twee zonen die naar zijn smaak te lang haar hadden, te grofgebekt waren en ook anderszins voor galg en rad opgroeiden.
Ik bewonderde mijn neven hartstochtelijk natuurlijk. Ze rookten zware shag, ze dronken bier, ze hadden dat lange haar, brommers, vriendinnen. Ze gingen ’s avonds op pad, ze vochten verschrikkelijke ruzies uit met hun vader. Er kwam zelfs geregeld handgemeen aan te pas.
Na het eten deed mijn oom een dutje, en hielp ik mee met de afwas.

Daarna (ik was er altijd in de zomer) gebeurde er weinig meer. De zon scheen verpletterend neer op het erf. Er kwamen mensen langs om aardappels te kopen. Het was stil. Ik speelde in mijn eentje op het erf, in het hok en in de tuin van de kerk. Soms kreeg ik van tante een kwartje voor een ijsje en liep ik naar Pop Bakker, een winkel vlak bij het station waar altijd een verschoten parasol voor de deur stond. Ik las ook al veel boeken in de tijd, soms in de nette voorkamer van tante, een kamer die alleen op zondag werd gebruikt. Er was dan altijd sterke thee met kandij.

Wat er ’s avonds gebeurde, weet ik eigenlijk niet meer. Mijn neven en nichten gingen er na de broodmaaltijd meestal op uit. Ik bleef bij oom en tante achter. Er was geen televisie. Ik denk dat ik dus boeken las. En daarna moest ik naar bed.

De jeugd sliep boven, bij mijn oom en tante, en zijzelf beneden. Er was een jongensafdeling, op zolder, en daaronder was de meidenafdeling. Daar sliep ik, bij Rennie in bed. We sliepen niet naast elkaar, maar tegenover elkaar in een eenpersoonsbed. Mijn hoofd lag naast haar voeten, mijn voeten kwamen ongeveer tot haar borsten. Dit was mijn eerste contact met het vrouwelijk lichaam, vandaar dat ik me die logeerpartijen in Buitenpost zo goed herinner. Rennie was groot en mollig en ze had allerlei rondingen onder haar nachthemd. Ze droeg een bril, maar niet in bed. Ze kwam altijd later naar bed dan ik, vaak was ze dan uitgeweest en rook ze naar bier en rook. We praatten dan nog een tijdje. Ik geloof niet dat ze in de gaten had hoe belangrijk ons samenzijn voor mij was. Ik was gewoon een neefje uit de Randstad dat bij hen logeerde. Na een tijdje vielen we in slaap. Ik droomde de opwindendste dingen.

Ik werd gedurende de nacht altijd een paar keer wakker, dan moesten mijn nichten plassen. Dat gebeurde op een pot die op de overloop stond. Er is eigenlijk geen geluid intiemer dan het geluid van een plassende vrouw. Het sissen, het klateren. Ik lag er ademloos naar te luisteren. Vooral als Rennie naar de pot was. Ik probeerde me dan altijd een voorstelling van te maken van hoe ze daar gehurkt boven die oude, metalen pot in de gang hing. Op haar hurken, het nachthemd omhoog. Zette ze haar bril op voor ze ging, of deed ze het zonder bril? Ik ben er nooit achtergekomen, want ik durfde niet te gaan kijken. ’s Ochtends wel natuurlijk – dan was ik als eerste wakker en moest ik oppassen dat ik op de overloop niet over de volle pot struikelde. Glimmend als goud, al die vrouwenplas. Ik kan het me moeiteloos voor de geest halen.

Op een dag kwam ome Lou. Ome Lou was een ver familielid, maar hoe hij zich precies tot oom en tante verhield was mij niet duidelijk. Hij was naar Canada geëmigreerd en had daar in de vleesverwerkende industrie een halve hand verloren. Nu was hij voor een paar weken even over. Ome Lou was erg dik, en erg vrijgevig. Ter ere van zijn bezoek aten we gerookte paling. Daar was ome Lou gek op. De paling vingen mijn neven zelf, met lange lijnen vol onderlijnen met honderden haken die ze in het prinses Margrietkanaal uitzetten. De palingen rookten we zelf – op het erf, in grote, oude oliedrums. Houtskool erin, de palingen aan dikke stukken ijzerdraad rijgen, in de ton, natte jutezakken erover en roken maar.

Er kwam een hoop visite die avond. Iedereen wilde oom Lou zien en zijn verhalen over Canada horen. Dat was toch een soort beloofd land. Oké, het was Amerika niet, maar wel groot en ver weg. En bovendien waren de Canadezen onze bevrijders.

Het was een avond aan het einde van een bijzonder hete dag. Het erf van oom en tante had toch al de eigenschap veel warmte op te kunnen slaan. Het was een soort binnenplaats. Geen zucht kon er komen. De palingen hingen in hun tonnen te roken, het bier vloeide rijkelijk, maar het was lauw. Mijn neven rookten een joint in de schuur, en verdwenen daarna op hun brommers, mijn oom vloekend en tierend achterlatend. Mijn tante intussen had het vooral druk met het controleren van ooms drankinname – zij was altijd als de dood dat hij te veel dronk, wat hij steevast zeker deed.

Ach, mijn lieve oom – hij had in Indië meer ellende gezien dan goed voor hem was. En alleen mijn tante wist van de nachtmerries die hij had als hij had gedronken; altijd maar weer die uiteengereten jongens, altijd maar weer die stervende jongens met hun bebloede borsten en weggeschoten benen, altijd maar weer de zalvende woorden van de dominee die oom als chauffeur in een jeep naar de stervenden moest rijden.

De avond vorderde, maar tante had mij natuurlijk op zeker moment in de gaten en stuurde me naar bed. Zij was weliswaar mijn liefste tante, maar zij kon erg streng zijn. En een beetje bang was ik ook zeker voor haar. Dus daar lag ik even later, stinkend naar gerookte paling en misselijk van het vele vet en het stiekeme bier dat ik had gedronken, in het bed van Rennie. Zijzelf kwam een uur of wat later, en zij was duidelijk aangeschoten. Ze moest zich aan de deurpost vasthouden, later aan een stoel toen ze zich uitkleedde. Met moeite kon ze het bed inkomen, en ze vergat zelfs haar nachtpon. Ik kon in het vage schijnsel van de maan haar blote borsten zien schudden. Ik dacht dat ik gek werd, maar het kan het bier zijn geweest.

Toen ze eindelijk lag, haar voeten naast mijn hoofd, sprak ze de gedenkwaardige woorden: ‘Wat stinken we, hè?’

Dat deden we inderdaad – we stonken. De gerookte vis, het laffe bier, de sigarettenrook die om Rennie heen hing, de rook die vanaf het erf nog steeds uit de oliedrums kwam, de warme, klamme zolder en vaag in de verte de lucht van de pot. De geur ook van ondergoed en zweet, van opwinding en hormonen. Buiten klonken de opgewonden stemmen van de grote mensen die nog aan het feestvieren waren. Binnen lagen wij, en stonken we. Later zou ik die geur nog vaak tegenkomen, maar dan was het de geur van verlangen en hartstocht, de wilde versie ervan, sex, drugs and rock&roll.


LEES MEER IN NOORDERBREEDTE: www.noorderbreedte.nl


Geschreven op 25 juni 2008