30 mei 2008
TERUG IN HEERDE
Met jeugdherinneringen moet je oppassen, en toch kwam ik gisteren In Heerde terecht en daar heb ik vier jaar op de middelbare school gezeten, de Heertganck.
De school had twee vestigingen - een partij houten noodlokalen aan de Elburgerweg en een oude, statig gebouw aan de Zwolseweg. Het grootste deel van mijn scholierenleven bestond dus uit het heen en weer fietsen tussen die twee adressen.
De Meester Nijhoffstraat in.
Rechtdoor, tot de kruising.
Met de Zuppeldseweg.
Daar lag behalve de begraafplaats van Heerde ook de kruidenierszaak van Riphagen (Riphagen is een naam die veel voorkomt in die contreien, net als Bijsterbosch). Bij Ripagen legden wij vaak aan om halve liters frambozenvla en trekdroppen te kopen. Als we een uur vrij hadden, aten we dat op op de begraafplaats. Ik zie mezelf nog op de steen van mevrouw Hilanus-Van Swieten liggen. Sinds 1921 dood, in de Here ontslapen. Met mos begroeid, die steen, en als de zon op de juiste wijze door het kastanjelover piepte, was het heelijk dromen op mevrouw Hilanus-Van Swieten.
Ach, onschuldige blasfemie.
Na Riphagen ging de weg naar rechts, dan kwam je op de Kamperweg en langs zeepfabriek van Klok. Daar rook het altijd heerlijk, maar omdat mijn vader voor een andere zeepfabrikant werkte, had ik toch weinig op met Klok. Schuin aan de overkant lag een cafe dat Het Sationnetje heette. Daar moesten we langs, de Wilheminalaan in, en op zeker moment rechtsaf, de laan van haar dochter in: de Julianalaan. Die kwam tenslotte uit op de Zwolseweg, en iets naar links lag onze school, van origine een klassieke lagere school, met naast het hoofdgebouw een binnenplaats en daarachter wat aangebouwde lokalen en fietsenrekken.
Gisteren stond ik weer op de hoek van de Meester Nijhoffstraat en de Zuppeldseweg. De kruidenierswinkel van Riphagen was er niet meer, maar het pand nog wel herkenbaar, zij het dat het nu wit was gepleisterd en niet meer die sombere kleur van bakstenen had. De begraafplaats was er uiteraard ook nog, sterker nog: net toen ik uit de auto was uitgestapt, arriveerde een lijkstoet: een oude heer in onberispelijk zwart stapte langzaam voor de grote Mercedes uit; de gordijntjes achter waren open en op de eenvoudige kist lagen twee bloemstukken.
Waardig draaide de lijkwagen het pad op naar de ingang van de begraafplaats, en het leek wel alsof de merels en tortelende duiven in de bomen even verstomden om net als ik naar het geluid van die trage banden op het grint te luisteren. Toen arriveerden ook andere auto's die her en der en parkeerden. De mensen stapten uit en klapten kleurige paraplu's uit, want het was inmiddels begonnen te regenen. De achterdeur van de Mercedes ging open en voortgedreven door een feilloos mechaniek kwam de kist te voorschijn. Zes jongemannen hielen vervolgens de overledene op een kar waarvan de wielen aan het zicht werden onttrokken door zwarte doeken. Ik had gehoopt dat de kist op de schouders zou gaan, maar nee.
Het begon inmiddels harder te regenen, en in de verte klonken een paar klappen onweer. Hoewel de nabestaanden rustig even onder de bomen hadden kunnen wachten tot het wat droger werd, zette de stoet zich toch een beweging, tussen de zerken en de hoge rondondendrons door, naar de open groeve ergens achteraan op de begraafplaats. De vrolijke paraplu's zagen er steeds minder vrolijk uit, en ik dacht aan de honderden keren dat ik hier langs was gefietst. Geen enkele dode of teraardebestelling herinnerde ik me uit die tijd. Waarschijnlijk omdat ik toen jong was, en het gewoon niet zag.
Geschreven op 30 mei 2008

