23 april 2008
NOGMAALS ROKJESDAG
Er gaat wel eens iets mis. Zo had ik mij verheugd op een mooi stukje over blote benen, korte rokken en het voorjaar. Maar het laatste deel van mijn stukje haalde gisteren door een vergissing ter redaktie de krant niet. Misschien is het u niet eens opgevallen, maar ik hield er een slechte ochtend aan over.
En dat op zo'n mooie dag.
Maar goed; aan het einde van de ochtend reed ik door de Van Hallstraat de stad uit en daar kwam ik een oudere dame op een fiets tegen die gekleed in een decente rok en met blote benen onderweg was naar het centrum.
Dit was ter hoogte van het geboortehuis van Gerard en Karel van het Reve, en op de een of andere manier deed de fietsende dame aan die twee schrijvers denken; ze zag er uit als een tante uit lang vervlogen tijden, zo'n vrouw die niet getrouwd is, maar daar ook geen problemen mee heeft.
Een kranige en nijvere vrouw, misschien met een betrekking in de gezondheidszorg, nu onderweg naar de markt om er groenten en fruit te kopen. De zon scheen uitbundig, maar de wereld waar ze doorheen fietste, met haar stoere blote benen, was er eentje in zwart-wit. Zulke associaties bliksemden door mijn hoofd. Ooh ja, ze had een boodschappentas aan het stuur. En de fiets was zo'n oude dames-model.
Daarna reed ik langs de Haarlemmertrekvaart, en ik zag in de bermen langs de weg het fluitenkruid bloeien. Vorige week al las ik ergens dat het fluitenkruid bloeide, maar met eigen ogen had ik het nog niet gezien. Niet dat het veel uitmaakt, maar eigenlijk toch wel. Het idee dat anderen het kruid wel zien bloeien en ik niet, dat stoort me. Van fluitenkruid word ik namelijk erg vrolijk. Het zal hem in de naam zitten. Dus dit was de tweede opsteker.
Later die dag keerde ik terug in de stad. Het was nog steeds een prachtige voorjaarsdag, maar de blote benen die ik had voorspeld lieten me een beetje in de steek, wat zeg ik: het wemelde er bepaald niet van. Daar had ik me in het stukje van gisteren al tegen ingedekt, en het is bovendien het risico van iedere voorspelling.
Zodra je je er aan waagt, kan het anders lopen, om niet te zeggen dat het geheid anders loopt zodra je de voorspelling wereldkundig hebt gemaakt. Daarom heb ik ook altijd zo met Marion de Hond en Erwin Krol te doen. Dat voorspelt maar, en het valt altijd tegen. En als het dan eindelijk eens een keer meevalt, hebben zij het niet goed voorspeld.
Maar ter zake.
Mij gaat het op zulke dagen als gisteren (en hopelijk vandaag) helemaal niet om de benen en de rokjes en het vrouwenvlees. De benen zijn in feite bijzaak. Blote benen zijn namelijk helemaal niet zo'n feest. Er zitten hele lelijke tussen, hele witte, heel rare, hele dikke, hele dunne en hele zielige.
Het gaat om het idee.
Om het optimisme dat ten grondslag ligt aan rokjes, om het geloof in betere tijden dat altijd een handje geholpen moet worden. Desnoods met een verkeerde voorspelling. En die verkeerde voorspelling deed ik misschien gisteren, hoewel: op een tramhalte aan de Bilderdijkstraat zag ik een reusachtige vrouw die een roze hoepelrok droeg, met lange, stevige, blote staken eronder. Zij durfde, dat was duidelijk. En weer later, nog beter, zag ik mijn eigen dochters, veertien en zestien, uit school komen - allebei in vrolijke rokken, met daaronder lieve, blote melkflessen. Kijk, dacht ik, that's the spirit.
Geschreven op 23 april 2008

