interviews

17 augustus 2007

HOE IK VAN MIJN GELOOF VIEL

Toen ik ergens halverwege de jaren zeventig van mijn geloof viel was er geen steuncomité van intellectuelen dat mij met raad en daad, voedselpakketten, onderduikadressen en vlammende stukken op opiniepagina's terzijde stond.

Gelukkig maar.

Mijn geloof kreeg ik met de paplepel ingegoten. Zo hoort het natuurlijk. Op een andere manier krijg je de mensen niet zo gek. Het was aanvankelijk een prima geloof; ik had er geen problemen mee dat ik na een leven vol goed gedrag in de hemel zou komen. Wat ik zo rond mijn zestiende wel bezwaarlijk vond was dat ik iedere zondag twee keer naar de kerk moest, en ook één keer vond ik al te ver gaan. Iedere dag bidden en bijbellezing voor het warme eten daarentegen waren een eitje. Al doende kon je prima aan iets anders denken. Mijn geloofsopvatting zou je dus, samenvattend, laks en oneerbiedig kunnen noemen en dat gaf conflicten met het boven mij gestelde gezag - mijn ouders, de dominee, ooms en tantes en de jeugdouderling.

Ik radicaliseerde.

Zo heette dat toen niet, maar zo zouden we het nu wel noemen. Ik werd lid van Youth for Christ (net als Wouter Bos), ik deed aan bijbelstudie onder leiding van Elly & Rikkert Zuiderveld, ik danste voor de Heer in vreemde witte gewaden en las De planeet die aarde heette van Hal Lindsay, een huiveringwekkende analyse van de Bijbelse openbaringen die er op neer kwam dat het einde der tijden voor de deur stond. Nachtenlang discussieerde ik met vrienden en vriendinnen over Jezus en de liefde. We dronken heel veel thee met rietsuiker, en hielden elkaar stevig vast. We droegen schipperstruien. Ook was er veel gitaarspel. Mijn wangen vielen in, ik liet een baard staan, had een groot houten kruis aan een ketting om mijn hals en zag overal het werk van Satan. Met mijn ouders had ik nog steeds ruzie, ja, zelfs meer dan ooit.

Dit alles op de Veluwe.

Mijn broeders en zusters van de gespreks- en bijbelgroepen gingen nog harder dan ik, en op zeker moment begonnen ze in hocuspocus te geloven. Overal om ons heen was ineens sprake van wonderbaarlijke genezingen en spectaculaire bekeringen, alles het onmiddellijke gevolg van ons harde bidden en zingen. Het begon mij nu toch een beetje heet onder de voeten te worden, en mijn geloof wankelde. Toen mijn beste vriend er met mijn meisje vandoor ging en zich verdedigde met argumenten uit De Heilige Schrift, was de maat vol - ik verliet de Veluwe en ging in Groningen studeren.

Daar kreeg ik op een regenachtige avond bezoek van een studentendominee. Kennelijk had ik bij het inschrijven aan de RUG vermeld dat ik van Gereformeerde Huize was, en de prediker kwam informeren hoe de zaken er voor stonden en wanneer ik van plan was ter kerke te verschijnen. Het was, herinner ik mij, een aardige, goedlachse man met appelwangen, maar een zinnig gesprek konden we niet voeren, want alles wat hij zei viel zogezegd op koude, dode aarde, geen enkel woord schoot wortel.

Toen hij uiteindelijk, nog even goedlachs, en niet boos, maar verdrietig, mijn schamele studentenwoning verliet, had ik best een beetje met hem te doen. Hij had weliswaar het eeuwig leven voor zich, maar hij torstte toch ook een bijna ondragelijk gelijk met zich mee. Ik daarentegen was afvallig, en eenzaam, of andersom. Het één kon ook nog wel eens het gevolg zijn van het ander, en dat leek, en lijkt me, de beste toestand om in te verkeren; een hard, maar vrolijk lot.


Geschreven op 17 augustus 2007