20 augustus 2007
EVERYBODY HAPPY?!?
Is everybody happy?!?!? schreeuwde Ricky Wilson, de zanger van de Kaiser Chiefs naar het publiek in de Alpha-tent op Lowlands. Hij stak zijn microfoon in de lucht voor het antwoord. De band was nog niet eens aan het derde nummer begonnen. Everyday I Love You Less, het massaal meegezongen openingsnummer, dreunde nog na, en nu al was de overwinningsroes daar.
Iedereen was érg happy.
Het moet zo langzamerhand de meest versleten kreet en grootste open deur van de popmuziek zijn. "Is everybody happy?!?" Iedereen is altijd happy, dat is het grappige. Je hoort nooit eens een hele zaal "no!" schreeuwen. En in de massa heeft die eenzame stem van die ene echt ongelukkige die hartgrondig "nee" zou willen roepen geen enkele kans.
The Kaiser Chiefs zijn een echt Engels bandje. Jonge gasten die er vol in gaan. Ze besteden nauwelijks aandacht aan hun kleding of uiterlijk. Ze maken de indruk zo van de straat te komen. Jongens zijn het, en jongens zullen het altijd blijven. Verder dan bier en patat zullen ze nooit komen. Ze zijn vooral zo aantrekkelijk omdat ze zo weinig pretenties hebben. Hebben Engelse bandjes wél pretenties, dan neigen ze naar bombast. En als de pers ergens een nieuwe Bono ontdekt, of Anton Corbijn de hoes van hun CD fotografeert, moet je helemaal oppassen.
Maar goed.
The Kaiser Chiefs maakten er het beste van. Ze hadden alles mee. Een vaag maantje scheen door de wolken. Een bosrand in de verte lichtte fee-eriek op in een nevel van frituurwalmen. De temperatuur was die van een mooie zomeravond en het publiek had zin in een feestje. Er gaat toch maar weinig boven even opgenomen te worden in een deinende massa; één machtig, zwetend, kreunend, gillend, duwend, persend, springend, wiegend, golvend, naar adem happend lichaam. Niet hoeven denken, alles vergeten, we hebben daar kennelijk een grote behoefte aan. Alsof we af en toe alleen onze bodily functions willen zijn en als je met rock & roll bent opgegroeid, ben je daar ook nooit te oud voor.
In een toilet-hok ergens op het enorme festivalterrein probeerde intussen een man zijn behoefte te doen. Wankel stond hij aan een urinoir. Een vrouw hield hem van achteren omklemd, ze hing bijna verliefd tegen zijn rug, haar blonde hoofd kwam tot tussen zijn schouderbladen. Haar handen richtten zijn lid.
"Het lukt niet," bromde de man.
"Maar je moest," antwoordde de vrouw ferm en vrolijk, "kom op."
Ondanks de harde TL-verlichting, de smerige, natte vloer en de stank, ging van het tafereel een soort vanzelfsprekende tederheid uit - buiten stond de rolstoel van de man in een zee van vertrapte, plastic bierbekers en kartonnen pizzaborden, en het was zijn vrouw, of vriendin die hem nu hielp. Ze genereerde zich er niet voor, sterker: ze had er wel lol in.
"Lukt het niet?" klonk een stem uit een van de WC-hokjes. Op zo'n festival leven wildvreemden met elkaar mee.
"Nee," riep de hulpeloze man en hij lachte. Hij maakte weliswaar geen deel uit van de kolkende massa in de Alpha-tent, en ook niet van het feestgedruis in Bravo, waar de Londonse zangeres M.I.A. de zaak op stelten zette, hij was toch, ondanks alles, happy. Een prestatie van formaat. Nu het plassen nog - maar ook dat zou zeker lukken, de handen die hem hielpen, wisten ze wat ze moesten doen, zekere, liefdevolle vrouwenhanden.
Geschreven op 20 augustus 2007

