30 mei 2007
REIZIGER OF TOERIST
Bij Amerongen stak ik de Rijn over. Dat is nog eens een zin. Alsof het een prestatie was – dat water te bedwingen.
Was het niet.
Ik nam de pont en werd overgezet.
Aan de overkant stond een man in een kraam aardbeien, kersen en appels te verkopen. Daar had ik geen behoefte aan. De man zag er kouwelijk uit. De zaken gingen niet voorspoedig. Het waaide bovendien behoorlijk. Ik reed de dijk op, kwam langs een oud veerhuis, en bevond me toen op de weg naar Eck en Wiel en Zoelen. Het reisdoel was een nederzetting halverwege: Zwarte Paard.
Kan het beter?
Witte Paarden misschien, bij Steenwijk. Daar mag ik graag doorheen rijden. Stoppen heeft er geen zin, want er is niets in Witte Paarden – sinds kort een paar mooie verkeersobstakels, geloof ik, en een wokpaleis.
Zwarte paard.
Volgens de kaart ligt het op een kruispunt. Daar moet je mee oppassen. Een kruispunt is meestal een rotonde. Ik zou willen weten hoeveel rotondes er inmiddels in Nederland zijn aangelegd, hoeveel miljoenen ermee gemoeid zijn, en hoeveel rotondes er nog komen. Niemand die het kan vertellen. De rotonde gehoorzaamt alleen zichzelf. Hij komt waar hij wil, en gaat nooit meer weg.
Daar was Zwarte Paard.
Een rotonde, inderdaad.
En een café dat geen café bleek, maar een bouwbedrijf. Ik reed door richting Zoelen, dwars door Zwarte Paard heen. Een handvol huizen, een paard in een weiland, maar niet zwart, veel wind. Geen mens te zien, nergens wasgoed aan de lijn. Wel veel boomgaarden, maar wat wil je, ik was in de Betuwe.
Waarom eigenlijk?
Ik kwam in Zoelen, ook al een dorp van niets, maar wel met een enorm kasteel en een groot landgoed eromheen. Hoge bomen, boerderijen met vers geschilderde luiken. Verder een winkel in landbouwbenodigdheden, een bezinepomp en een restaurant waar ze problemen hadden met de riolering en waar niemand zat te eten.
Van Zoelen ging de weg naar Buren en dat was een verrassing: een prachtig, oud vestingstadje aan een riviertje, de Korne, met een nagenoeg intacte stadswallen met volkstuinen er tegenaan en een stratenplan dat sinds de 14de eeuw hetzelfde is. Een hoofdstraat met keitjes, een gemeentehuis, een kerk, een markt, en een paar dwarsstraten. Ik wandelde er wat rond, en liet, zoals dat heet, de geschiedenis op me inwerken. Het resultaat was dat ik Buren veel te pittoresk vond.
Verval, daar hou ik van.
Een eeuwenoud kerkje is mooi, maar de tand des tijds moet er wel grip op hebben. Als ieder teken van verval onmiddellijk wordt weggerestaureerd, hou je een steriele bedoening over. Of sloeg ik een dwaalweg in met deze gedachte? Minutenlang staarde ik naar de oude stadswallen. Ze waren toch indrukwekkend.
Ik ging verder.
Inmiddels had ik geen reisdoel meer, en de weg ging naar Culemborg. Nooit geweest, maar ook nog nooit zin in gehad, in Culemborg – ik weet niet waarom. Toch staan er mooie, alweer wat oude, blauwe flats langs de ringweg en zag ik in een weiland een verlaten schuur, het dak ingezakt, een vaag pad zichtbaar in het hoge gras. Van dat beeld monterde ik plotseling erg op, al stonden er verderop een paar enorme windmolens.
Ik geloof dat dit het is: ons land is zo verschrikkelijk aangeharkt en netjes, het kan in al zijn schoonheid soms iets heel beklemmends hebben. Dan ben je geen reiziger meer, maar een toerist, en dat is het ergste dat er is.
Geschreven op 30 mei 2007

