09 mei 2007
POLITIE OP STRAAT
Ik liep met de hond over straat. We gingen, heel ouderwets, een brief posten. Mooi werk is dat altijd.
Komt door de voorpret.
Straks glijdt de brief door de gleuf de bus in, en morgen komt hij aan bij degene aan wie hij is gericht. In de tussentijd gaat hij door vreemde handen en machines en maakt hij een lange, nachtelijke reis, temidden van andere poststukken, in een warme bruine zak.
Ineens werden we achterop gereden door een donkerblauwe ME-bus. Achterin zat een rij witte helmen. De bus stoof over een verkeersdrempel, de mannen achterin stuiterden op en neer, en sloeg verderop met piepende banden de bocht om. "Goh," zei ik tegen de hond, "die zijn lekker bezig."
De hond was het me eens.
Even later kwam ons een ploegje jongens tegemoet. Een man of acht. Ik hield de hond kort, want ze wil nog wel eens uitvallen tegen vreemd volk - laatst hing ze zelfs bij de postbode in zijn broekspijp. Dat lag, vond ik, aan de postbode, maar daar dacht de beamte anders over en voor straf kreeg ik drie dagen geen post. De jongens hadden haast, maar ze holden niet. Ze keken wel voortdurend over hun schouders. Ze droegen sjalen en petjes van Ajax.
Wam, daar kwam de ME-bus ineens weer de straat in, gevolgd door een tweede, en verdomd: een derde bus. De jongens begonnen te hollen. Een van de bussen stopte, de ME'ers rolden eruit en gingen met geheven wapenstok achter de jongens aan. Het leidde tot niets, want de jongens waren te snel en verdwenen om de hoek. De mannen van de wet sjokten terug naar hun bus, klommen aan boord, sloegen de deuren dicht.
Rijden maar weer.
De hond en ik sjokten verder. We kwamen steeds meer jongens tegen. Groepjes van drie, vier. Soms grotere groepen. Ze gedroegen zich allemaal hetzelfde als de eerste jongens die we tegen waren gekomen. Af en toe dook er ook weer een ME-bus op. Soms stopte er eentje, en kwamen de witte helmen naar buiten. Het leidde alleen tot veel heen en weer gedraaf. De hond en ik, we snapten het niet goed.
We kwamen bij de brievenbus en ik postte mijn brief. Er ging vanalles (zie boven) door me heen toen ik hem losliet in de gleuf. "Daar doe je het voor, brieven schrijven," zei ik tegen de hond. Ik had geen brok in mijn keel, maar het scheelde weinig. Waar een mens niet geemotioneerd van kan raken. Het moet niet gekker worden.
Dat werd het wel.
In een wolk van stof en met rokende banden stopte een ME-bus naast ons. De achterdeuren knalden open en acht ME-ers buitelden over elkaar heen de keien op. De hond begon te blaffen en ik klampte me vast aan de brievenbus. Gek, maar ik vroeg me toch af of we iets verkeerd hadden gedaan en nu in de boeien werden geslagen. De hond rukte aan de lijn.
"Af, Foei, Kop dicht!" riep ik.
De ME-ers keken om zich heen. Het leek er niet op dat ze wisten waar ze waren. Uit de bus klonken radiostemmen. Boven ons kwam een helicopter te hangen. "Fout," hoorde ik ergens roepen, en de mannen klommen hun bus weer in. Het zag eruit als ze goed hadden geoefend op in- en uitstappen. Met de deuren nog open, stoof de bus weer weg. De hond en ik bleven achter bij de brievenbus. "Schitterend politieoptreden," hoorde ik mezelf mompelen.
"Woef," zei de hond.
Geschreven op 09 mei 2007

