03 mei 2007
EEN MAN MET VISIE
Het dorp telt 350 inwoners. Er is een café-restaurant annex hotel, tegenover de kerk en het monument voor de gevallenen. Verder zijn er een winkel in levensmiddelen en een apotheek. Acht jaar geleden ging de bakker dood aan kanker.
Ooh, en er is kapsalon.
Er zijn trouwens ook een postkantoor, een gemeentehuis met éen ambtenaar in de binnendienst, een oude dame, en twee jonge mannen in de buitendienst – voor het onderhoud van bermen, hekwerken, verkeersborden, de visvijver, etc. Tot slot is er salle polyvalente waar nooit iets in gebeurd, behalve eens in de zoveel jaar: dan is het stembureau er in gevestigd. Tot slot is er een huisarts.
Op het plein bij de kerk was tot enkele jaren geleden nóg een café gevestigd. Rond de milleniumwisseling ging het failliet, en de burgemeester weekte bij het departement en Europa subsidie los om het pand om te knappen. Sinds twee jaar ís het volledig gerenoveerd, maar er vinden geen activiteiten in plaats. Het staat gewoon mooi te zijn, met een bord voor de deur dat meldt dat Europa en het departement ook hier aan de toekomst werken. Af en toe opent de burgemeester, de enige met een sleutel, het pand om er dromerig wat in rond te scharrelen.
De burgemeester is tevens de apotheker van het dorp. Hij rijdt iedere twee jaar in een nieuwe Landrover. Hij heeft ook een vrouw, maar die heeft men in het dorp nog nooit gezien. Naar verluid pakt ze regelmatig haar koffers, maar komt ze altijd na een paar maanden weer terug. Een modern huwelijk, noemen ze dat op het Franse platteland,. Verder golft ze, en heeft ze een poedel die Lipton heet, naar het theezakje.
De zonen van de uitbater van het hotel-restaurant aan het plein zijn de eigenaars van de enige winkel in het dorp. Het zijn vrolijke middenstanders, gewend aan lange gesprekken met dove bejaarden, en heel erg op de penning, net als hun vader. Sinds de ondergang van de bakkerswinkel verkopen zij ook brood, prefab stokbroden die ze zelf afbakken. Ze zijn al jaren bezig zich meester te maken van het leegstaande pand op het plein: daar willen ze behalve een echte bakkerij een supermarkt in vestigen.
Maar de burgemeester houdt het tegen.
Hij staat op het standpunt dat er een nieuwe voorziening in het pand moet komen, iets dat iets toevoegt aan het dorp, iets dat er n og niet is en dat meer mensen naar het dorp trekt. Hij heeft bovendien geen zin de zonen van de restauranthouder ruim baan te geven. Al was het maar om te voorkomen dat hun familie een te grote grip op het dorp krijgt. Dus wat heeft de burgemeester nu bedacht?
Een internetcafé!
Dat is inderdaad een voorziening die het dorp ontbeert, sterker nog: in de wijde omtrek is geen enkel dorp met een dergelijk café, nog sterker: zelfs in de dichtsbijzijnde steden zijn dergelijke uitspanningen niet te vinden. Zou het nu werkelijk zo zijn, vraagt men zich in het dorp af, dat de mensen straks van heinde en verre hierheen komen om te internetten? Het is nauwelijks te bevatten, behalve voor de burgemeester; die loopt ’s nachts door zijn schitterend opgeknapte en volledig lege voorziening, alle lichten aan, de luiken open. Hij waant zich een visionair, een man die zijn dorp gaat opstoten in de vaart der volkeren. Het is dat hij zo groot is, qua gestalte, deze apotheker, anders zou men hem de kleine Sarkozy noemen.
Geschreven op 03 mei 2007

