08 mei 2007
EEN KAMELENTEEN
Laat ik niet over Rob de Nijs beginnen. Zachtjes tikt de regen op het zolderraam. Maar toen ik gisteren wakker werd, moest ik er wel aan denken. Want ach, buiten regende het. Niet spectaculair, maar precies als in het liedje van De Nijs: zachtjes, tikkend.
Alleen lag ik niet onder een zolderraam.
De ochtendspits produceerde in de stad weer mooie taferelen van doorweekte moeders, kinderen in plastic Jip en Janneke-pakken, trams met beslagen ramen, kantoormannen onder paraplu's, pubers die net deden alsof het niet regende, toeristen in korte broeken die met doorweekte plattegronden schuilden onder luifels. Alleen viel in het voorbijgaan van een hotel mijn oog op een zwangere vrouw in een roze T-shirt.
Aout stond er op haar buik.
En daaronder een pijl.
Die naar beneden wees.
Het duurde even (nou ja, vrij lang) voor ik begreep wat hier werd bedoeld. Maar toen ik de regen uit mijn ogen had gewreven, was het muntje gevallen. In augustus kwam de baby die zich nu nog schuilhield in de dikke buik daar beneden naar buiten.
Daar beneden?
Ik had er niet eens echt naar gekeken, maar nu zag ik daar beneden heel scherp voor me: een cameltoe van een jewelste, dankzij (o.a.) een veel te strakke legging. Aan mevrouws voeten: grote, witte gympen, de veters los.
Er is geen beschaving meer.
Maar gelukkig regende het, en van regen mag je verwachten dat het de smerigheid van de straten spoelt en in ieder geval de domheid belet naar buiten te komen.
In dat licht draaide ik me nog even om, om te kijken wat de vrouw die in augustus ging bevallen eigenlijk van plan was: nou, ze stak een sigaret op, en keek mij vernietigend aan. Haar kamelenteen stak wreed, maar ook sneu af in haar legging. Het was mijn schuld dat ik hem überhaupt zag, het had helemaal niets met die pijl op haar buik te maken, en niets met haar legging - nee, ik was de schuldige, ik was een viezerik.
Woest was ze op mij.
Ik vervolgde mijn weg.
Het beste is het dit soort kleine aanvaringen in de openbaarheid zo snel mogelijk van je af te schudden. Nog beter is het eigenlijk met oogkleppen op de deur uit te gaan. Niets zien, en nergens naar kijken, daar kom je het verste mee. Net doen of je neus bloedt. Nergens aanstoot aannemen. Schouderophalend door het leven stappen. Het zal mijn tijd wel duren, dat werk.
Augustus.
En dan die pijl.
Naar de kamelenteen.
Zou het humor zijn?
Gelukig regende het dus en ik sloeg het park in. De bomen waren zwaar van het water. Ze dropen er vrolijk op los. De aarde geurde als een vers bed, alleen dan anders, en de fietsers die me passeerden droegen kleurige regenpakken - ach, wij zijn een volk dat altijd overal op is voorbereid. Nog voor er een druppel is gevallen, begint het KNMI al te waarschuwen voor gladheid.
De hardlopers die me tegemoet kwamen, hadden kippevel op hun benen. In de vijver zag ik een reiger een vis vangen. Met het spartelende voorntje in zijn snavel keek hij even triomfantelijk om zich heen. Daarna was het hap, slik - en ik zag de vis door de lange nek gaan. Verderop blafte een hond, een vliegtuig kwam laag over. Het was een dag in mei, het leven ging gewoon door.
Geschreven op 08 mei 2007

