07 mei 2007
DE EINDELOZE OORLOG
Er leven nog bijna drie miljoen mensen die de oorlog hebben meegemaakt. Een van hen kwam ik onlangs tegen. Het was op een mooie, maar frisse zaterdagochtend. Er was een glas uit mijn bril gevallen en dus moest ik naar de opticien. Toeval bestaat, maar misschien ook wel niet.
De opticien is gevestigd aan de Willemsparkweg, Amsterdam-Zuid. Terwijl ik wachtte tot de bril klaar was, stond ik buiten de winkel een sigaret te roken. Op zeker moment passeerde een oude dame. Ik meen dat ze zo'n boodschappenwagentje bij zich had, maar daar ben ik niet zeker van. Ze was al voorbij toen ze zich ineens omdraaide en me aansprak.
Bent u die en die?
Ik was die en die.
Ze memoreerde dat ik kort daarvoor een stukje had geschreven over een straat in de Parijs, de Rue Campagne Première, een zijstraat van de Boulevard Montparnasse in het veertiende arrondisement. Ik knikte, dat stukje had ik geschreven.
"Die straat ken ik," zei de oude dame toen, "daar heb ik in de oorlog twee dagen ondergedoken gezeten."
En nu komt het.
"En ik heet Klein, maar ik ben geen familie."
Mijn stukje ging over de kunstenaar Yves Klein, die tot zijn dood in 1967 in die straat had gewoond en wiens verzamelde werk op dat moment in het Centre Pompidou was te zien.
"Ooh," zei ik, overrompeld door het toeval.
De dame glimlachte en vervolgde haar weg.
Dit is inmiddels een maand of twee geleden, en nog steeds laat de ontmoeting me niet los. Klein - een Joodse naam. Twee dagen ondergedoken. En toen? Door naar een ander adres? Door naar Portugal en vandaar naar Engeland? Verraden en opgepakt, door naar de kampen? Bij wie had ze ondergedokten gezeten, en in wiens gezelschap? Zusjes, broers? Ouders? Wildvreemden? En hoe kwamen ze vanuit Nederland in Parijs terecht? Hoe verliep zo'n reis - in die tijd, voor mensen die werden vervolgd? En op welk huisnummer in de Rue Campagne Première had mevrouw Klein gezeten?
Allemaal vragen.
Zaterdag, bevrijdagsdag, liep ik langs het verzorgingstehuis bij mij om de hoek. Er is een hele rij kamers aan de schaduwkant van het gebouw waar je vanaf de stoep zo naar binnen kunt kijken. Het is hartverscheurend om te zien wat oude mensen na een heel leven als laatste bezit meenemen naar hun laatste woonplaats.
Bijna niets.
Al jaren passeer ik hier dezelfde kamer van dezelfde meneer. De kamers aan weerszijden van hem zijn al diverse keren ontruimd geweest en betrokken door nieuwe bewoners. Maar deze meneer houdt stand. Hij wordt steeds ouder, en kan steeds minder. Hele dagen zit hij in zijn pyjama aan tafel, naast een blik Haagse hopjes en een rol King-pepermunt. Hij kijkt televisie, of dommelt wat. Een eenzame, witte lok haar hangt over zijn voorhoofd, een oude bril staat scheef op zijn neus.
Nu liep ik niet aan zijn kant van de straat, maar aan de overzijde, in de zon. Ik zag wel dat hij nog leefde, hij zat aan tafel. In de kamer boven hem had een bejaarde bewoner een driekleur opgehangen. De vlag bungelde half uit het raam, en was binnen met twee touwtjes aan de rails van de gordijnen gebonden. Daar woonde dus iemand die bij uitzoeken van zijn laatste bezittingen aan de Nederlandse vlag had gedacht. Die moest mee. Vervolgens dacht ik aan mevrouw Klein, haar twee dagen in Parijs en de rest van haar leven. Hij is nog lang niet voorbij, die oorlog.
Geschreven op 07 mei 2007

