interviews

11 mei 2007

BEZOEK NOOIT DE PLAATSEN

Erg netjes is het niet, denk ik, maar laat ik beginnen met een citaat van mezelf, een gedicht:

Bezoek nooit de plaatsen
Van je jeugd, ze vallen

Tegen, net als, bij nader
Inzien, die hele jeugd

Dit gezegd hebbende, stond ik ineens aan het Stieltjeskanaal. Dit is een oud kanaal in de zuidoosthoek van Drenthe. Het werd tussen 1880 en 1884 door driehonderd arbeiders met hand en schop gegraven, dit in opdracht van hoge heren in Coevorden die het uiteindelijke kanaal vernoemden naar ingenieur Stieltjes, de man die het Coevordens Kanaal, dat Coevorden met de Vecht verbindt, had aangelegd. Het kanaal was belangrijk voor de afvoer van turf, uit de hoek van Nieuw Amsterdam, en later, na de Eerste Wereldoorlog, toen de turfhandel instortte, was het cruciaal voor het transport van aardappels naar de aardappelmeelfabrieken. In de hoogtijdagen van het kanaal passeerden zestig schepen per dag de sluizen die vernoemd waren naar de familie die er de regie over voerden: Knol.

Nu niet meer.

Nu is het kanaal een stil kanaal, zoals de meeste kanalen in Drenthe. Er is pleziervaart op mogelijk, maar daar blijft het dan ook meestal bij. Het Oranjekanaal, de Drentse Hoofdvaart, de Hoogeveensche Vaart - het zijn dode verkeersaders. Wat een vreemde mededeling is, natuurlijk, want als iets leeft, is het wel water. Maar als het door mensenhanden is aangelegd en er is geen bedrijvigheid meer, hoe moet je het dan noemen?

kanaal.jpg

Dood.

Het Stieltjeskanaal heeft in mijn leven, ik kan het ook niet helpen, een zekere rol gespeeld, want mijn oma woonde er vlakbij, en als we bij haar op visite waren, op altijd van die landerige zondagmiddagen, ontsnapte ik al snel aan de gezelligheid om bij het kanaal te kijken. In mijn verbeelding, dit speelt in de jaren zeventig, had je toen nog echte binnenvaart op het kanaal. Ik kan mij tenminste nog echte schepen op het kanaal herinneren - niet varend, want het was de dag des Herens, maar aangemeerd; machtige schepen (voor mij als kleine jongen) met grote stuurwielen in de kajuit, een autootje op het achterdek en gordijntjes voor de patrijspoorten daaronder. Ook hing er natuurlijk altijd wel wasgoed te drogen, hoewel: op zondag? Misschien een theedoek aan de waslijn, of een dweil die maandag weer gebruikt moest worden.

Hoe dan ook.

Mijn grootmoeder, oma van vaders kant, woonde in een nieuwbouwwijk van Coevorden, vlak buiten de oude citadel, niet ver van de beroemde watertoren. Volgens de kaart heet die wijk Poppenhare, maar dat is een naam die ik mijn jeugd nooit heb gehoord. De straat waar ze woonde heette Vincent van Goghstraat. Omliggende straten waren ook genoemd naar de oude schilders, je zou dus bijna zeggen dat het de Schilderswijk was waar mijn oma woonde.

Laat ik kort op haar ingaan - op mijn oma. Zij was een kleine, kranige vrouw, met vieren zonen en een dochter die bij haar inwoonde met een buitenechtelijk kind, dat wil zeggen: er hoorde geen vader bij dat nichtje. Een van oma's zonen was naar Amerika geemigreerd. een woonde in Maastricht, met een was ze gebrouilleerd, en de vierde was mijn vader. Een opa was er niet, die stierf in het jaar dat ik werd geboren, 1959. Het schijnt dat ik erg op hem lijk en dat hij mij een keer heeft gezien, een baby was ik toen. Ik heb hem nooit gezien, behalve op foto's die bij oma op het dressoir stonden. Een man in uniform, "heit" noemde oma hem, hoewel ze niet Fries was, maar Duits, en opa, een Groninger in hart en nieren, in Zandvoort had leren kennen.

Dit alles overdacht ik terwijl ik in Zandpol stond, niet ver van Nieuw-Amsterdam. Het Stieltjeskanaal maakt daar een stevige bocht, en ik keek naar een paar kale iepen waar kraaien massaal nesten in aan het bouwen waren. Langzaam drong het tot het door dat als ik het kanaal zou volgen, ik vanzelf bij de oude straat van mijn inmiddels dode oma terecht zou komen. Hoe zou die Vincent van Goghstraat er bijliggen? Was het nuttig om dat te weten? Ik reed al en passeerde de sluizen, een spoorlijn die niet meer gebruikt werd, een permantent openstaande spoorbrug, de gehuchten Stieltjeskanaal en Ossehaar en kwam steeds dichter bij mijn doel. Links in de verte zag ik rode daken opdoemen, niet het rood van oude tijden, maar het oranjerood van nieuwbouw, rechts passeerde een bungalowpark dat de Huttenheugte heette. Ondanks het slechte weer, het regende pijpenstelen, en ondanks dat het geen vakantieperiode was, stond het parkeerterrein vol. Recreatie gaat altijd door in Nederland.

De weg draaide terug naar het kanaal, en samen doken we onder de N382 door en daarmee was ik ineens in Coevorden, om niet te zeggen dat ik de omgeving onmiddellijk herkende: het buurtje van mijn oma. Ik schat in de jaren vijftig aangelegd: portiekwoningen, lage flats, rijtjeshuizen. In mijn jeugd, als ik daar zondagen doorbracht, was het een propere, kinderrijke buurt, met leuke tuinen. Je voelde de vooruitgang, de mensen waren hoopvol, blij met hun huizen, en vol verwachting: de toekomst zou misschien nog meer voor hen in petto hebben, misschien dat ze zelfs ooit uit Coevorden weg zouden komen. Lagere middenklasse, schat ik.

coevorden.jpg

De tijd was er duidelijk overheen gekomen, en stilstand had toegeslagen. De huizen en flatjes zagen er nu vervallen en armzalig uit, veel getuinierd werd er niet meer, aan de auto's langs de stoep te oordelen, was het inkomen ook behoorlijk gedaald. Een arbeiderswijk, of erger, was het geworden. Mijn oma woonde in een rijtje twee-hoge flats: boven woningen, beneden woningen. Aan de voorkant had ze een lang balcon, aan de achterzijde een trap waardoor je binnenkwam. De trap liep langs het schuurtje, en kwam naast de keuken het huis binnen. Vanaf het balcon, en vanuit de woonkamer, had ze zicht op een bejaardencentrum, en daarvoor een enorme vijver met grote, dikke karpers erin. Die vijver was verdwenen, maar het bejaardencentrum, De Schans, stond er nog steeds. De berkenbomen in de platsoenen die in mijn jeugd klein en iel waren, waren behoorlijk de lucht in geschoten, de kleurstelling van de woningen, vroeger geel en blauw, was veranderd in wit en rood.

Er schoot mij nu iets vreemds te binnen; de weg die ik had afgelegd naar dit bekende adres was niet de route van mijn jeugd. Die voerde over Hardenberg, De Krim en dan Coevorden in bij het spoor, met in de bocht het beroemde hotel Talens (waar ik tijdens de bruiloft van mijn lievelingsoom voor het eerst (en het laatst) achter een drumstel zat), over de Wilheminasingel en de Van Heutzsingel (langs de gereformeerde kerk waar mijn oma na haar dood opgebaard zou liggen, haar dode gezicht te bekijken door een raampje in het deksel van haar kist), linksaf de Dokter Picardlaan op, langs de beroemde watertoren en het park en het hertenkamp en dan rechtsaf richtng de Van Goghstraat. Ik zag mezelf, de route in de tegenovergestelde richting afleggend, weer helemaal zitten: achterin de ouderlijke Taunus, in het midden: een broertje links, zus en nog een broertje rechts, vader en moeder voorin, niet in een heel goed humeur, want niemand had ooit zin aan een bezoek aan oma. Dit kwam niet door haar kippensoep, die heerlijk was, maar door allerlei broedertwisten die haar zoons onder water bleven uitvechten, en waarbij ook de aangetrouwde dochters hun steentje bijdroegen. Ja, die visites aan Coevorden waren een memorabele uitjes.

Nog iets.

In mijn herinnering was Coevorden een aanzienlijke plaats, een stad zelfs. Maar bij terugkomst, vijfentwintig jaar later, bleek het klein en bedompt, op het levenloze af. De gebruikelijke winkelstraten, een oud Kruidhuis, een oude kerk, de al genoemde watertoren. Verder weinig, en veel dat aan het naburige Duitsland deed denken. Misschien woonde oma daarom hier wel; zij kwam tenslotte uit Koblenz, aan de Rijn. Tot slot bracht ik een bezoek aan haar graf, en dat van mijn grootvader. Daartoe moest ik langs een industrieterrein waar de straten modern Disk, Modem en Internet heette. Het kerkhof zelf was groot, en de graven waren aan het verzakken. Er werd dus hard gewerkt om de lijken weer waterpas te krijgen. Mijn grootouders vond ik achter een enorme conifeer. Ze waren, zo meldde de steen, in Jezus ontslapen, maar het graf zag er slecht onderhouden uit. Als gezegd, de plaatsen van je jeugd, daar moet je mee oppassen, net als met graven - die brengen niet het beste in een mens boven. Ik stond een tijdje onder de druilende conifeer naar het graf te kijken. Een paar zomerse zondagen in Coevorden, aan de karpervijver van de Schans, vlogen voorbij. Ik zag mezelf in korte broek, mijn vaders auto en oma op haar balconnetje zitten. Vooral zag ik het Stieltjeskanaal, de ophaalbruggen en de vissers op zondagmiddag langs de oever. Een andere wereld; ver weg en dichtbij tegelijk.

Geschreven op 11 mei 2007