04 maart 2007
LENTEKRIEBELS
Bijna duizend kilometer regen, maar ter hoogte van Breukelen werd het droog en toen we over de Utrechtsebrug Amsterdam binnenrolden, scheen warempel de zon. Niet uit volle borst, eerder timide en schutterend, maar toch waren de magische woorden op hun plaats: de zon scheen.
We waren thuis.
Op de hoek van de Rijnstraat en de Vrijheidslaan (voorheen de Stalinlaan, toch altijd goed om te onthouden dat naar deze massamoordenaar ooit in Amsterdam een straat was vernoemd) stond een marktkraam van de PvdA. Een rijzige man in een lange Marlboro-jas met een cowboyhoed en een moderne bril met rood montuur stapte pedant rond met een microfoon in zijn hand. "Stem PvdA! Sterk en sociaal! Stem PvdA! Sterk en sociaal!" schalde het uit luidsprekers. Partijgenoten met rode petjes deelden folders en rode rozen uit.
We waren thuis.
Maar eerst moesten we de Van Woustraat nog door, langs snackpaleis Barbarella, en verderop linksaf, de Stadhouderskade op, langs de Société Anonyme waar de ramen openstonden; de paal voor het paaldansen glinsterde in het zonnetje. Op de radio knalde de nieuwe Kaiser Chiefs voorbij, gevolgd door een korte update van de Omloop Het Volk. Een kopgroep werd ingelopen, ontsnappingen volgden - opwinding alom. We reden intussen langs het Rijksmuseum waar een monumentale zwaan aan de gevel hangt, een schilderij van Jan Asselijn. Een blauwe Subaru kwam bij het stoplicht langszij. Achter het stuur zat een blonde neger met een sigaar in zijn mond.
We waren thuis.
Even later draaiden we onze straat in. Een buurvrouw was bezig viooltjes in haar geveltuin te planten. Ze liet lachend haar bemodderde handen zien. Kinderen waren aan het voetballen op straat. Op de deurmat lag de geschiedenis van de afgelopen twee weken: oude kranten, bekeuringen en briefjes van Poolse bouwvakkers die graag aan de slag willen. We laadden de auto uit, voor het laatst kwam de vakantie voorbij. De koffers en tassen gingen meteen open om de vieze was te voorschijn te halen. Even later draaide de wasmachine zijn eeuwige muziek.
We waren thuis.
De deuren naar de tuin konden open. De hortensia was vrolijk aan het uitlopen, bij de buren bloeide een camelia. De rondondendron zat vol dikke knoppen. In de bloembakken waren de tulpen opgeschoten. Een achterbuurvrouw op twee hoog was haar ramen aan het zwemen, onzichtbare vogels zongen dat het een aard had, ja, er was eigenlijk geen andere conclusie mogelijk dan dat het lente was. De telefoon ging, en het was mijn moeder die informeerde of we al thuis waren.
Ja, net, dus.
En onmiddellijk vertelde zij, honderdvijftig kilometer oostelijker wonend, dat ze net haar keukendeur open had gedaan en dat het heerlijk weer was, eindelijk, want ze had genoeg van de winter. Het moest nu voorjaar worden, sterker, ze voelde het voorjaar in de lucht - je hoefde, zei ze, je neus maar op te halen. Aan de andere kant, voegde ze er onmiddellijk aan toe: "we zijn er nog niet. Maart roert zijn staart, en April doet wat hij wil. Maar vandaag is het heerlijk. Gelukkig. Met jullie ook alles goed?"
Ja, mam, alles goed.
De middag vouwde zich al op, de avond ging vallen. Maar nog even hield de belofte van het voorjaar aan. Het was, en is, een kwestie van atmosfeer, die naderende lente: een zekere lichtheid over de dingen, een opgelucht ademhalen van de wereld, een milde tinteling, een zachtheid die geluiden verder draagt. We kregen er, eerlijk gezegd, de kriebels van.
Geschreven op 04 maart 2007

