interviews

12 februari 2007

KUNST VAN HET MOMENT

De zondagmiddag glijdt voorbij. Altijd mooi. Langzaam komt de avond in zicht. Ergens in huis hoor ik een dochter zingen. Echt een liedje is het niet, het gaat van lalalalala. Het klinkt zorgeloos. De deuren naar de tuin staan open, de vogels fluiten, in de bijkeuken draait de wasmachine zijn programma af.

Bestaat God?

Ik denk dat het antwoord op die vraag eenvoudig is. Nee, hij bestaat niet. Maar gesteld dat er tóch iets hogers is, een almachtige hand die alles stuurt (velen schijnen daarin te geloven), dan bevindt dat hogere zich in de drieëenheid van open deuren, vogels en een draaiende wasmachine - of laat ik het zo zeggen: in de perfecte samenhang tussen die drie dingen, gecombineerd met de zingende dochter, laat ik dat niet vergeten. Meer God kan er niet zijn, op dit moment.

Dan is het voorbij.

Een buurvrouw laat haar kind de tuin in. Hij rijdt op een plastic tractor tegen een boom, valt uit het zadel en begint te huilen. Elders in de binnentuin opent iemand zijn balcondeuren om matten uit te kloppen. In de verte beiert een kerkklok, en een politiewagen passeert met gillende sirene. Een radio schalt, een stofzuiger loeit, een buurman acht de tijd rijp om zijn vlakschuurmachine te testen. De telefoon gaat, op de radio buiten slaat een stem over. Sven Kramer rijdt een wereldrecord op de tien kilometer.

Heeft het leven zin?

Ook op die vraag kan het antwoord kort zijn; neen. Vorige week trof ik in een Nijmeegs revalidatiecentrum een jonge vrouw met een dwarslaesie, als gevolg van een autoongeluk. Zij gelooft in niets, en niemand, behalve in zichzelf en haar vrienden. Als ze al haar wilskracht aanwendt en dag en nacht oefent, kan ze misschien op termijn haar handen en armen weer gebruiken. Kan ze dat eenmaal, dan wil ze op zichzelf gaan wonen. Haar hoogste doel: weer auto kunnen rijden. Toen ik aan haar bed zat, kon ze nog helemaal niets, behalve haar hoofd bewegen, denken, praten en roken als iemand haar een sigaret tussen de lippen hield. Champagne dronk ze door een rietje. Ik durfde haar niet te vragen of het leven zin had, maar ik weet zeker dat ze "nee" had geantwoord.

Geen zin.

Maar toch straalde deze vrouw ontzettend veel levenslust uit. Haar ogen glinsterden, haar wangen waar rood. Niets in haar wilde bij de pakken neerzitten (ze kon niet eens zitten), niets in haar wilde opgeven; ze had zin in het leven. Mensen die zin in het leven hebben, valt mij wel eens op, stellen zich meestal niet de vraag of het wel zin heeft. Ze hebben wel wat anders aan hun hoofd.

Het enige waar je naar kunt streven is zo'n zeldzaam moment waarop alles met elkaar in balans is: tuindeuren die openstaan, een fluitende merel die het voorjaar belooft, een wasmachine die draait, een zingende dochter in huis. Even lijkt er verder niets van belang, een gevoel van stille euforie is het gevolg. Je leeft, en alles klopt.

Daar gaat het om.

Tot zover deze overpeinzing van een ongelovige dominee die nog één vraagt heeft: waar komt zo'n moment van het geluk eigenlijk vandaan, of heeft het geen zin je dat af te vragen? Pluk het, als het voorbijkomt. Dat is het antwoord.

Geschreven op 12 februari 2007