13 februari 2007
DE OUDE VOLVO
Gisteren zag ik ineens tussen Hoofddorp en Haarlem mijn oude auto rijden. Een lichtblauwe Volvo 240. Het was hem echt, want ik herkende hem aan het kenteken. Er zat een vrouw achter het stuur met een handsfree-setje aan haar oor gehaakt.
Ongelofelijk.
Toen ik achttien werd, bood mijn vader mij rijlessen aan. Ik sloeg het aanbod af. Autorijden was niet links. We spreken nu de jaren zeventig. Ik was tegen de neutronenbom en vervoerde mijn studieboeken in een linnentas van de Wereldwinkel. Uiteindelijk kwam ik in 1993 in Amerika terecht, en daar is zonder auto niet te leven. Het rijbewijs is er bovendien makkelijk te halen, en na drie lessen van mijn vrouw in een oude Cadillac Eldorado op het parkeerterrein van de supermarkt, kon ik examen doen.
Sindsdien ben ik automobilist.
Toen we in 1994 terugkwamen in Nederland, kochten we een lichtblauwe Volvo 240, bij Jan Roest op de Zeeburgerdijk in Amsterdam. Dat was destijds hét adres voor oude Volvo's, en nog steeds trouwens. Ik weet niet meer hoeveel de auto kostte. Het kan niet veel zijn geweest, want geld hadden we niet en zo hoorde het ook, want we waren artiest. Ik was onmiddellijk verknocht aan de auto, en noemde hem liefkozend "de oude Volvo".
Dat was hij namelijk.
De Volvo 240 stamt uit het midden van de jaren zeventig. Het exemplaar dat wij bezaten, was gebouwd in 1981. Hij had toen we hem kochten 180.000 kilometer op de teller staan, en toen we hem andeerhalf jaar later bij Jan Roest inruilden voor een donkergroene 240 Estate met prachtige velgen die ik eens in de drie maanden met een tandenborstel poetste 210.000 kilometer. Hij reed als een tierelier - je had echt het gevoel dat je in een auto zat. Als een blok op de weg, nauwelijks vering, en nooit pech. Nog steeds is het een populaire auto, vooral in kringen van van veertig-plussers die op cowboylaarzen lopen en moderne jonge moeders in flodderjurken. Maar ook als oldtimer zie je hem nog regelmatig, dan zit er meestal een oud echtpaar in en glimt de wagen alsof hij zo uit een showroom van vroeger komt.
Het is wonderlijk om gehecht te zijn aan een auto, en om je leven lang trouw te blijven aan één merk heeft helemaal iets eigenaardigs. Mijn vader reed zijn hele werkzame leven Opel, Unilever had een deal met dat merk, maar nog geen dag met pensioen, kocht hij een Mercedes. Ik heb het gevoel dat ik tot Volvo ben veroordeeld, maar waarom precies kan ik niet uitleggen. Het hangt uiteraard samen met mijn garage - Roest. De naam zegt het al, voeg ik er altijd aan toe.
Maar het heeft nog meer met Volvo te maken; die oude wagens, de 240, de 740, de Amazone (nog veel ouder), maar ook de nieuwere modellen hebben een onverzettelijke, bijna lompe robuustheid die me ontroert. Het zijn geen watjes, die wagens, geen Italianen of Fransen die onder je kont wegroesten, en ook geen BMW's en Audi's die een aura van patserigheid hebben. Volvo's zijn beschaafd, maar toch hardwerkend. Als je auto's met mensen zou kunnen vergelijken, is de Volvo een knoestige, wat onhandige man, met haar in zijn oren, die, als hij eenmaal na een paar glaasjes loskomt, verschrikkelijk geestig blijkt te zijn en ook nog goed kan dansen.
Hieraan moest ik denken toen ik mijn oude auto tussen Hoofddorp en Haarlem inhaalde en in de spiegel zag verdwijnen.
Geschreven op 13 februari 2007

