interviews

22 januari 2007

DE REIZIGER

Het Noordhollandse dorp Grootschermer (1000 inwoners, een kerk uit 1768, een ophaalbrug, een paar lantarenpalen, een uitspanning) ligt ingeklemd tussen de Eilandspolder, polder O van de Schermer en de Noordeindermeerpolder.

Dat is mooi om te weten, maar 's nachts heeft de reiziger er niets aan; dan rijdt hij over slingerende, smalle dijken, langs wuivende rietkragen die goudgloeiend opdoemen in het licht van zijn koplampen, en ziet hij af en toe sloten als inktzwarte strepen het donkere land inlopen. Hier en daar staan huizen, en hun verlichte ramen vertellen dat het binnen warm en gezellig is. Dat is een boodschap waar de reiziger gevoelig voor is; zelf is hij ook onderweg naar huis.

Maar welke kant moet hij op?

Grootschermer kun je, volgens de kaart, op twee manieren handig verlaten: over Schermerhorn en via De Rijp. Van Schermerhorn is het een eitje naar Stompetoren, over de kaarsrechte N 243, en vandaar is het nog een steenworp naar Alkmaar en de A9 in zuidelijke richting. De route over De Rijp voert over de Meerdijk en via het gehucht Noordeinde naar Graft en De Rijp - plekken met een rijke geschiedenis, ooit legden er walvisvaarders aan die vanaf de Zuiderzee het meer de Schermer opvoeren. Bij De Rijp loopt de N 244, naar Purmerend en de A7. Maar de kortste weg wijst het navigatiesysteem, en dus komt de reiziger langs de ringvaart van de Schermer te rijden, richting Driehuizen en verderop West-Grafdijk.

Duisternis.

Bestaat het nog?

Hier wel.

Omdat de ringdijk zo kronkelt, is het voortdurend onduidelijk welke lichtjes er twinkelen aan de horizon. Want de verte verandert steeds. De ene keer denkt de reiziger aan Alkmaar, de volgende keer aan Krommenie, dan weer aan de flats van Purmerend. Het is alsof hij ronddraait in een zwarte emmer en af en toe over de rand kan kijken. Tegenliggers en overig verkeer zijn er niet, wel doemen op zeker moment twee zwanen op in de berm. Hun ogen flonkeren kwaad in het schijnsel van de koplampen. Verder is er niets dan riet en duisternis, en de almaar veranderende horizon, die twinkelt als een fata-morgana.

West-Graftdijk.

Een slapend dorp. Het schijnsel van lantarens, donkere huizen, geparkeerde auto's die niets dan stilte en rust uitstralen, een fiets tegen een hek. Het navigatiesysteem wijst naar rechts, en kort daarop naar links, naar de N 246, West en Oost-Knollendam, Wormerveer, Zaandam. De weg snijdt nu recht door het landschap, de betovering van de donkere polder is bijna voorbij, steeds dichterbij komt het einddoel. Het asfalt suist onder de banden, een benzinestation licht in de verte op als een ruimteschip dat zojuist is geland. De weg maakt een bocht, en komt langs een spoorlijn te lopen. Er volgen kruispunten met stoplichten, discotheken langs de weg, autodealers, het bekende werk.

Gas!

Hoe dichter bij huis, hoe sneller de reiziger wil aankomen. Als haast niet meer nodig is, omdat het einde duidelijk in zicht is, juist dan wil hij voortmaken. Hoe dichter bij huis, hoe meer hij zich gaat realiseren wat hij heeft gemist, en wat hem drijft door het nachtelijke land. Er gaat niets boven de sleutel in het eigen slot steken. Maar om dat gevoel te bereiken, moet de reiziger wel steeds op pad. En zo draait hij altijd rond.

Geschreven op 22 januari 2007