18 januari 2007
DE GEEST MOET WAAIEN
Zo'n storm is eigenlijk wel lekker. Eerst de voorpret; het weeralarm. Ha, denk je, dat gaat wat worden morgen.
Dan de dag zelf.
Eerst valt het nog wat tegen, maar dan tuimelt ineens de barometer en vrijwel onmiddellijk begint de storm in kracht toe te nemen. Takken, dakpannen, plastic zakken en kinderspeelgoed vliegen door de binnentuin, vensters klapperen, bij de overburen wordt een dakgoot door de wind gegrepen. Op straat komen de fietsers nauwelijks vooruit. Overal klinkt het gehuil van brandweerwagens.
Kan niet beter.
De radio meldt dat we binnen moeten blijven. Niks daarvan! We gaan op stap, want de geest moet waaien, Johnny van Doorn is niet voor niets gestorven, we denken aan zijn woorden.
De hond mag ook mee, maar die protesteert. Heb je hem eindelijk bij zijn kladden en aan de riem, doe je voordeur open, stap je de straat op, wordt het beest door een windvlaag gegrepen en van de grond getild.
Werkelijk.
Goed, dat wordt dus niks met de hond; die mag terug naar binnen waar hij bibberend van verbijstering in zijn mand duikt: hij heeft gevlogen! Kort, heel kort, maar toch.
Je zet door.
De wind rukt aan je jas, de wind rukt aan je haar, de wind rukt aan alles, vooral aan de bomen die langs de kade staan; er breekt er eentje voor je ogen af. Hij valt op een geparkeerde, blauwe Saab die prompt begint te toeteren. Na een tijdje verstomt de claxon, en knipperen alleen de achterlichten nog. Een man komt aangesneld.
"Mijn auto, mijn auto!" roept hij.
Een mooie tekst, en toepasselijk ook - van de Saab is niets over. Je laat de man achter met zijn wrak en loopt naar de brug. In de gracht drijven boten die zijn losgeslagen. Op het water staan schuimkoppen. In de lucht ploegen vliegtuigen zich een weg naar de enige landingsbaan van Schiphol die open is. De gezichten van de mensen op straat zijn vertrokken tot groteske grimassen - de wind doet rare dingen.
Je voelt je vrij.
Eindelijk begrijp je het. Met een storm kun je twee kanten op. Binnen blijven, of er recht op af. Je zit er nu middenin. Een vrouw die met twee volle tassen uit de tram stapt, wordt zonder pardon omver geblazen. Haar verbaasde gil is niet te horen, de tram rijdt weg in fonteinen van water, haar boodschappen rollen over straat, haar benen steken in de lucht, en ze lacht, en lacht, en lacht. Je helpt haar overeind, maar ze blijft lachen.
En waarom ook niet?
Het is heerlijk, zo'n storm.
Je vervolgt je weg, en treft een omgewaaide hijskraan, nog meer ontwortelde bomen, ingestorte steigers, politieagenten in gele jassen die worstelen met roodwitte linten om straten af te zetten. Iedereen is vrolijk, lijkt het wel, een bijna kinderlijke opwinding. Alsof het vrij spelen op het schoolplein is.
Een onweersklap klinkt, het begint te regenen. Niet zo'n beetje ook: het gutst naar beneden. Vrijwel meteen verzoen je je ermee: je laat je helemaal doorweken.
De wind gaat liggen, en even plotseling als de hoosbui arriveerde, houdt hij nu op. Een vreemde stilte hangt minutenlang tussen de huizen. Dan trekt de wind weer aan, voor een nieuwe episode. Je denkt: morgen een nieuw leven, een frisse blik.
Geschreven op 18 januari 2007

