02 april 2006
VROUW EN STOEL
Zij en ik liepen door het bos. Mooier zou zijn: zij en ik wandelden door een woud, een oneindig woud, een woud vol eeuwenoude woudreuzen. Wij liepen met andere woorden onder een ruisende ritselende hemel van miljarden blaadjes waardoorheen het zonlicht gefilterd op ons neer viel, met name dus op haar en op haar blote schouders.
Waarom liepen wij daar?
Dat was een goeie vraag, en wij beiden stelden hem met enige regelmaat, stilletjes en voor onszelf en zonder hem aan de ander kenbaar te maken. In die stemming waren we, misschien wel verliefd - in ieder geval samen, al heel wat.
Zij aan mijn zijde was blond en zij had overal een mening over. Ik vind dat een aantrekkelijke eigenschap van een vrouw, net als hygiene. Zelf heb ik ook overal een mening over, maar daar gaat het nu niet om. Bovendien hou ik mijn mening vaak voor me; dat is makkelijker.
De blondine met wie ik door het woud liep, zat anders in elkaar. Zij praatte graag, ook als het haar in moeilijkheden bracht. Problemen vond zij trouwens heerlijk, want die kon je oplossen. Niets mooiers dan een opgelost probleem, nou ja - het volgende probleem. U kent dat wel: zo iemand die van de ene hindernis in de volgende valkuil struikelt.
Op een open plek hielden wij halt. Hoe lang we hadden gelopen, wist ik niet meer. Misschien wel uren. We streken neer op een mossig veldje onder een enorme eikenboom. Het was stil om ons heen, en vogels kwetterden. De vrouw had tot nu toe nauwelijks haar mond gehouden, maar nu zweeg ze. Haar ademhaling floot zachtjes.
Ze had tijdens onze wandeling een groot aantal onderwerpen aangeroerd. Ruimte en tijd, de dagboeken van Bridget Jones en Anne Frank, die volgens haar niet veel verschilden, make-up, seks, het ontwerp van van treinen, balies en kantoortuinen waarin ze gewerkt had, tijdschriften, haar jeugd - die gelukkig was geweest tot ze in therapie ging en na drie sessies ontdekte hoe eenzaam ze eigenlijk als kind altijd was -, de geneugten van kreef, fietsbellen, mobiele telefoons, de saaiheid van politiek, de comeback van broeken met wijde pijpen, sigarenrook, glasbakken, menstruatiepijn, het gemak van een droogtrommel en zoute drop. Wat haar monologen zo mooi maakte, voor een man die zwijgend en knikkend naast haar liep, was het gemak waarmee ze van het ene onderwerp naar het andere rolde. Voor haar hing alles met alles samen, en ze schaamde zich nergens voor.
Maar nu was ze stil.
En ik ook.
De open plek had de omvang van een half voetbalveld, maar dan in het rond, want open plekken zijn niet vierkant of rechthoekig, maar altijd rond, wat merkwaardig is. De zon stond er scheef boven en het licht viel net naast ons op een struik waar kleine, witte bloemen aan groeiden. Aan de overkant stonden varens en overal groeide gras, hoogopgeschoten gras waar een smal, modderig pad doorheen voerde. Ik luisterde naar de zachte, fluitende ademhaling naast mij en wachtte tot de vrouw die erbij hoorde opnieuw het woord zou nemen. Als iets haar bezighield was het wel ruimte.
Ze keek om zich heen.
Ik keek naar haar.
Ik zag de bomen, het bladerdek boven ons, de zon, een eenzame wolk die voorbijdreef in haar ogen weerspiegeld. Alsof zij voor twee keek als ik maar goed naar haar keek. En wat vond ik haar mooi, ook toen ze haar ogen sloot.
Ze strekte zich uit op ons mos.
Ik ging naast haar liggen.
We lagen daar, en ik moest mijn ogen dichtdoen, zei ze zacht. Toen ik het had gedaan, stak ze van wal, anders dan daarnet toen we nog liepen, niet meer zo rommelig, maar dromerig en bedachtzaam. Ze vertelde over een stoel die ze eens gevonden had, gewoon op straat, bij het grof vuil, een niet eens zo opzienbarende stoel, gewoon een keukenstoel met metalen poten en een plastic zitje en rugleuning. Het was een wonderlijke stoel, omdat hij ongelofelijk lekker zat. De manier waarop ze dat zei duldde geen tegenspraak en ik zag voor me hoe ze er lekker op zat. Zitting en leuning waren groen, helderfris groen als bladeren van een berkeboom in het voorjaar, een beetje nat van regen.Ik zag de kleur voor me.
Enfin, ze had de stoel meegenomen natuurlijk, maar vervolgens was het een blok aan haar been geworden. Want overal waar ze de stoel neer wilde zetten, werkte hij niet. Dat was het verkeerde woord natuurlijk, hij werkte wel, je kon er op zitten, maar misschien begreep ik haar als ik me iets voor kon stellen bij staan: de stoel stond nergens. In welke ruimte ze hem ook neerzette; hij veranderde de ruimte, of de ruimte veranderde de stoel, dat laatste gebeurde nog vaker. De stoel werd kleiner, of dommer, of minder elegant, of wankel, of te groot, of ouderwets of ronduit onpraktisch. Dit was iets wat ze nog nooit had meegemaakt. Alles wat ze vond of kocht klopte altijd. Het ging op in haar woonkamer, of in haar keuken; het voegde er iets aan toe, of juist niet - het werkte. Maar deze stoel die ze zomaar op een ochtend bij het vuilnis had gevonden, verzette zich tegen iedere ruimte waarin ze hem parkeerde, en andersom ook: er was geen muur, geen fabriekshal, geen trapgat die de nabijheid van de stoel verdroeg.
Ze zweeg.
En toen, vroeg ik.
Ze keek me aan. Haar hoofd lag naast me op het mos. Ze had de stoel weer op straat gezet, een week of twee later, bij het vuil. Ze had zich een maand beroerd gevoeld, zo groot was de nederlaag. Ze lachte bitter. Ze dacht nog steeds regelmatig aan de stoel. Nu hier, deze plek, deze open plek in het inmense woud - zou dat de ideale plek zijn, had ze zo lang met de stoel rond moeten sjouwen tot ze hier was uitgekomen? Waarschijnlijk wel.
Ze zuchtte.
En keek, net als ik, naar de lucht die blauw was als de bodem van een zwembad.
Geschreven op 02 april 2006

