03 april 2006
THERESE EN HET GELUK
Er zijn van die momenten dat alles perfect samenkomt. Ineens heeft het leven zin en klopt het universum. Even maar, natuurlijk, maar lang genoeg.
Zondagmiddag: het heeft de hele ochtend geregend, maar dan breekt de zon door, met een paar machtige vegen is plotseling stralend licht in de donkere binnentuin.
Je draait net Come Back To Me, van Solo, een liedje dat op nummer 1 in de hitparade zou moeten staan, zo wonderschoon is het. Voor het raam, buiten op straat, ontploffen de knoppen van de ribes, een feest van roze bloemetjes in trossen. Een merel begint te zingen, een buurvrouw schrobt met een bezem haar stoep. Er schiet je een gedachte binnen.
Geluk bestaat.
Zij het kort.
Daarna denk je aan Thérèse, de vrouw van Jonnie Boer, de beste kok van Nederland. Dit weekend was je in hun restaurant, de Librije in Zwolle. De verschijning van Thérèse werd voorafgegaan door haar parfum, een zware, zoete lucht, niet beklemmend, maar wel een geur die je niet kon missen, een geur die er fluisterend om vroeg opgesnoven te worden. Daarna was ze er zelf, breed en pront, groot en trots, en gekleed om naar te kijken.
Een korte zwarte rok, waarvan de onderste helft uit smalle, met zilver stiksel afgezette stroken bestond. Een gewaagde rok; bij iedere beweging een bombardement van suggesties. Boven de rok: een zilvergroene blouse, veel plooien en lagen, een hoge kraag, een subtiel décolleté. Ook nog veel kettingen met zware, gouden kralen die rinkelden bij iedere voetstap.
Goed, daar gaat het niet om.
Na ongeveer twee uur te hebben gegeten, eten is misschien het verkeerde woord, genieten moet je zeggen, denk ik, de gastronomische kunst van Jonnie Boer ondergaan, kwam een klassieker op tafel: lam. Thérèse bracht de borden zelf.
“Eindelijk lam,” zei je tafelgenoot.
Thérèse’s groene ogen twinkelden. Haar mond, die niet zo groot is, maar prachtig in haar gezicht ligt, veranderde in een verliefde glimlach. “Ja, ze zijn er weer hè, lammetjes,” zei ze.
We knikten.
“We hebben onze eigen lammeren, ze staan bij Genemuiden,” vervolgde ze, en het leek alsof ze ze even voor zich zag, haar dartelende lammetjes in een nat Overijssels weiland. “Zo lief hè,” voegde ze er aan toe.
“En lekker,” zeiden wij.
“En zo lekker ja,” beaamde ze onmiddellijk – en we zagen in haar ogen dat die twee dingen niet strijdig met elkaar waren, sterker nog: de lammetjes in haar wei wáren zo mooi en zo lief, omdat ze hier, na de bereiding door haar man, zo lekker waren. ‘Eet smakelijk,” zei ze en verdween weer. Zacht knetterden de kousen rond haar machtige benen.
Verbluft, maar ineens gelukkig bleven we achter: dit was zo’n perfect moment geweest: de schoonheid van het land, belichaamd in de plaatsnaam Genemuiden, de streekeigen keuken, de filosofie van de Librije, de vrouw die zowel haar sentiment als haar lust liet spreken (even konden we ons verbeelden hoe haar tanden het malse lamsvlees van het bot rukten), de zon die van buiten een paar stralen door de kleine, eeuwenoude ramen het restaurant in slingerde, zo recht op de gevulde wijnglazen af, de manier waarop het lamsvlees op het bord lag te wachten: een kunstwerk voor heel even.
Toen aten we het op.
En was het geluk voorbij.
Geschreven op 03 april 2006

