13 april 2006
MONUMENT VOOR EEN VADER
Op de hoek van de Bosboom Toussaintstraat en de Constantijn Huygensstraat in Amsterdam-West zit een winkel waar ik vaak langs kom. Ooit was het een sigarenzaak die gedreven werd door noest echtpaar dat achter de winkel woonde. Een zware, Hollandse etenslucht hing altijd in de zaak.
Op zekere dag werd de boel overgenomen door een kwieke, jonge vrouw die onmiddellijk aan het verbouwen sloeg. De woning verdween, de winkel werd groter en modern. De vrouw heette Marjolein Hartman, en zij was de dochter van André Hartman, een sigarenwinkelier in Amsterdam-Oost die in 1993 bij een overval werd doodgeschoten. Zijn weduwe, An, zette de zaak aan het einde van de Molukkenstraat voort, ook nadat zijzelf werd overvallen.
Marjolein was aanvankelijk enthousiast over haar eigen winkel, maar al snel bleek ze toch haar droom niet waar te kunnen maken: er zat te weinig loop in de zaak, en de klanten die er kwamen, waren shagrokers, kinderen die snoep wilden en krantenkopers – geen klanten waar veel eer aan viel te behalen.
Ze begon om zich heen te kijken naar een andere zaak, en kocht uiteindelijk een sigarenwinkel in de Beethovenstraat. Haar oude winkel verkocht ze aan een Libanees die, nadat hij de voorraden had opgerookt, het sigarenvak niet meester bleek en de winkel veranderde in een uitdragerij van tweedehands goederen waar nooit iemand kwam, behalve hijzelf, want hij woonde tussen de oude rotzooi.
Marjolein Hartman intussen verbouwde de winkel in de Beethovenstraat tot een klassiek paleis voor rokers: je kunt er de mooiste sigaren van de stad krijgen, de exclusiefste aanstekers, sigaretten uit alle windstreken, alles, kortom, wat roken tot een feest kan maken.
Een week of wat geleden kwam ik haar tegen, nu in de Leidsestraat; daar stond ze achter de toonbank in de sigarenzaak van mijnheer Van Coeverden, op nummer 58, en trots vertelde ze dat ze zaak, een prachtige, ouderwetse winkel, had overgenomen, inclusief mijnheer Van Coeverden zelf die nog een paar dagen per week bleef werken.
Gisteren reed ik door de Molukkenstraat in Amsterdam-Oost en kwam ik langs de winkel van moeder Hartman. Ik stopte en liep er naar binnen. Ze was er niet, maar achter de toonbank stond een goede vriendin, een oude dame die alles van Marjolein wist. “Ja, wat die in d’r kop heeft zitten, heeft ze niet in d’r kont,” lichtte mevrouw het karakter van Marjolein toe, “op en top een zakenvrouw. En ze weet alles van sigaren. Heeft ze van d’r vader.” De andere dochter Hartman bleek ook al heel zakelijk aangelegd: zij heeft twee zonnestudio’s. We kletsten wat over de buurt en over moeder An en toen was het tijd om te gaan.
Terug in mijn eigen buurt, liep ik langs het winkeltje waar Marjolein een paar jaar geleden voor zichzelf begon. De ramen waren dichtgetimmerd, de Libanees zat op de stoep bessenjenever te drinken. Het leek me dat hij alle moed had opgegeven.
Later dacht ik aan de woorden van meneer Van Coeverden die ik kort na die keer dat ik Marjolein achter zijn toonbank aantrof weer zelf voor zijn deur zag staan, de zorg van het ondernemerschap van zijn schouders gegleden, een contemplatieve glimlach rond de mond: “ze doet het om een monument voor haar vader op te richten.” Zo had ik het nog niet bekeken, maar nu zag ik ineens helder de toekomst voor me: alle sigarenzaken van Amsterdam in handen van Marjolein Hartman, een vrouw die van haar vader hield, nee, houdt.
Geschreven op 13 april 2006

