interviews

11 april 2006

HET VOORDEEL VAN VERDWALEN

Verdwalen heeft als nadeel dat je dan de weg kwijt bent. Dit kan tot zenuwachtige toestanden leiden, en uiteraard tot tijdverlies. Maar een voordeel van verdwalen is dat je op de vreemdste plekken terecht kunt komen. Buiten de gebaande paden is de wereld vol verrassingen, niet allen even aangenaam, maar dat hoeft ook niet.

Verdwalen heeft als nadeel dat je dan de weg kwijt bent. Dit kan tot zenuwachtige toestanden leiden, en uiteraard tot tijdverlies. Maar een voordeel van verdwalen is dat je op de vreemdste plekken terecht kunt komen. Buiten de gebaande paden is de wereld vol verrassingen, niet allen even aangenaam, maar dat hoeft ook niet.

Onlangs verdwaalde ik in de buurt van Ommen en Dedemsvaart, onderweg als ik was naar Hardenberg. Achteraf is het interessant om zo’n verdwaalpartij op de kaart te reconstrueren, als je tenminste nog weet waar het mis ging.

Rijdend over de N340 tussen Zwolle en Ommen, kwam ik ineens halverwege, ter hoogte van Oudleusen op het idee dat ik eigenlijk meer noordwaarts moest zijn, op de N377 die langs de oude Dedemsvaart loopt. Dat is weliswaar niet de kortste weg naar Hardenberg, maar ik rij nu eenmaal graag langs kanalen en toen ik van huis vertrok had ik me dat ook voorgenomen – op de A28 had ik gewoon te vroeg een afslag genomen.

Iets voorbij Oudleusen sloeg ik nu dus linksaf, in de veronderstelling dat ik door eenvoudig almaar rechtdoor te rijden vanzelf bij de vaart uit zou komen. Dat viel tegen, want al snel voerde de weg in hoekige bochten oost-, dan weer een stukje noord- en vervolgens weer lange tijd westwaarts. Het land dat ik doorkruiste was boerenland, en afgezien van een enkele trekker met aanhanger die een akker inzaaide, was er nauwelijks sprake van aktiviteit. Uiteindelijk kwam ik in een nederzetting die Vinkenbuurt heette waar net de openbare basisschool uitging.

Altijd mooi.

Een paar kilometer verderop lag het dorp Witharen en daar moest ik linksaf, naar Balkbrug. Korte tijd later reed ik door een bos en toen zag ik ineens links van de weg een door eikenbomen omzoomd veldje liggen waar een paar scheefstaande, oude grafkruizen op stonden. Ik stopte, want niet alleen uitgaande scholen hebben mijn belangstelling, ook geheimzinnige begraafplaatsen.

Het bleek dat ik mij op de Ommerschans bevond, in de Tachtigjarige oorlog een verdedigingswerk, in de achttiende eeuw een strafkolonie waar de Maatschappij van Weldadigheid leeglopers, drankzuchtigen en bedelaars opsloot, in de hoop dat ze tot inkeer zouden komen. Velen kwamen dat niet, want tussen 1821 en 1889 kwamen hier 5448 mensen om het leven; ook een vorm van heropvoeding natuurlijk, maar wel erg drastisch.

Ik betrad de begraafplaats die lang niet alle doden van de Maatschappij van Weldadigheid herbergt, sterker nog: er staan maar een stuk of dertig kruizen, in een paar wankele rijen, en enkele zerken. De aanblik is luguber.

begraafplaats.jpg

Het was een gure middag en de wind had vrij spel in de hoge bomen. Het grasveld lag bezaaid met bruin, droog knisperend herfstblad. De grote rondondendrons op de hoeken van het veld maakten nog geen enkele aanstalte in bloei te komen. Een van de weinige graven met een nog leesbare tekst is van Zientje Hoogenberk, vermoord op 15 oktober 1889, op hoeve nummer 11. Vergeefs probeerde ik me een voorstelling van de strafkolonie te maken.

Even later zat ik weer in de auto, en passeerde ik Veldzicht, een TBS-instelling, omsingeld door het modernste prikkeldraad, vroeger een Rijksopvoedingsgesticht. Meteen daarna kwam Balkbrug: langs de weg allemaal huizen die ooit bij het gesticht hoorden, huizen van bewaarders, met kleurige luiken en knusse tuintjes. In het hart van het dorp moest ik rechtsaf, naar Dedemsvaart, als gezegd, en dan naar Hardenberg.

Geschreven op 11 april 2006