interviews

09 april 2006

DE LEVENDE REVE

De dood van Gerard Reve dreef mij de stad in, naar het Spui. Het was half twaalf. De zon scheen. De banken op het plein rond het Lieverdje zaten vol toeristen. Een hotdogkar deed al goede zaken. In de etalage van Athenaeum hing een grote foto van Reve, gemaakt door Klaas Koppe. Twee dikke kaarsen brandden, een Maria-beeld stond naast enkele boeken van de schrijver.

Dat was het.

De foto toonde Reve in Frankrijk, met ontbloot bovenlijf, een vreemd hoedje op en een pikhouweel over de schouder – een oude bouwvakker, met een ironische, maar ook vermoeide blik in de ogen. Op de achtergrond wat bergen.

reve1993-11(gr)_1.jpg

Tot het moment dat ik die foto zag, had ik eigenlijk niet echt stilgestaan bij de dood van de grote schrijver, maar nu kon ik er niet omheen: hij die al zo lang afwezig was, was nu echt weg.

Het deed me wat.

Het is altijd riskant om zoiets te zeggen, want wát deed het me dan? Een belangrijk schrijver was hij, en ik heb hem vaak gelezen, maar ik kende hem niet, en ik weet niet eens of ik hem had willen kennen. Nu hij daar zo in gezelschap van Maria en twee kaarsen in de etalage hing, maakte hij een eenzame indruk – maar goed, eenzaam zijn we allemaal, behalve misschien in de dood, voor wie gelovig is.

Wat me trof, toen, als in een flits, was de brutaliteit van het leven: de mensen zaten in het zonnetje de krant te lezen, in reisgidsen te bladeren, te zoenen, te bellen, hotdogs te eten, hun katers te verbijten, te lachen – alles ging door: een bus kwam voorbij, verderop was een kunstmarkt, een tram rinkelde, twee negerinnen maakten ruzie, een duif pikte rond in wat etensresten, een zwerver hield zijn vuile hand op voor wat kleingeld, een cabrio stopte voor grand-café Luxembourg, een gebruinde jongen in een geruite broek stapte uit. Een oudere man met een fiets aan de hand hield intussen even halt bij de etalage van de boekwinkel en keek eerbiedig naar Gerard Reve. Daarna vervolgde hij zijn weg, de stad vouwde zich moeiteloos om hem heen.

Ik vertrok ook.

Het beloofde een mooie middag te worden. Door de grachten trokken al de eerste bootjes, jonge ouders met kinderen in bakfietsen baanden zich een weg door opgebroken straten, bij het bejaardentehuis zaten de meest krasse bewoners op de stoep te roken. Parijs-Roubaix stond op het programma, en Italie ging naar de stembus. Een vrouw trok op de een brug haar jas uit, ze droeg oranje schoenen. In het water waren twee meerkoeten druk doende met hun nest. Twee hardlopers kwamen voorbij; beiden hadden een natte rug.

Ik kwam thuis en hoorde Joop Schafthuizen verklaren dat Reve vlak na zonsondergang was gestorven, daags tevoren. Ik dacht aan alle zonsondergangen die de schrijver in zijn lange leven moet hebben meegemaakt, en aan deze ene, deze laatste zonsondergang, ja, laat de zon maar schuiven. Straks ging hij ook weer onder, en morgen ook, en overmorgen ook.

Het was een zinloze gedachte en daarna ging ik voor mijn boekenkast staan. Ik keek naar de glanzende banden van Reve’s Verzameld Werk en naar de geknakte ruggen van paperbacks die ik al vijfentwintig jaar met me meezeul. Ik nam een paar boeken uit de kast en bladerde er wat in rond. De schrijver was dood, maar de zinnen die me tegemoet sprongen, waren springlevend, alsof ik ze voor het eerst las.

Geschreven op 09 april 2006