interviews

09 april 2006

BIJ DE DOOD VAN REVE

Het was een stralende dag die zich boven de stad ontvouwde en in het verdere lege grand-café zaten Rijk de Gooyer en Jan Lenferink aan de witte wijn. Het jaar 2000 was in volle gang en het zou zo twaalf uur worden. Toch leek het nog erg vroeg: de prullebakken waren net geleegd, de stoepen geboend, het pleintje geveegd en de zon had de terassen nog niet bereikt.

Toen verscheen ineens, vanuit het niets, Gerard Reve.

De volksschrijver werd geflankeerd door zijn uitgever, Dick Gubbels, en een brede, gedienstige, donkerharige vrouw. Reve droeg een verschoten groene broek en een donkerblauwe polo die openstond. Hij keek niet om zich heen, maar boos naar de grond.

En hij schuifelde.

Voetje voor voetje bewoog het groepje zich naar een tafeltje. De vrouw was een en al zorg voor de oude schrijver, de uitgever wist niet helemaal wat zijn rol in het geheel was. Straks ging hij betalen, dat was een ding dat zeker was, maar wat deed hij in de tussentijd?

Ze namen plaats.

Gerard Reve blikte om zich heen. Jan Lenferink stond op om een woord met hem te wisselen. Het was niet duidelijk of de volksschrijver wist wie Jan Lenferink was. Toch klonk uit het gesprek na enige tijd een knallende lach op. Even later ging Lenferink weer bij Rijk de Gooyer zitten.

Aan het tafeltje van Reve werden kroketten besteld. Daarna werd een gesprek gevoerd. De schrijver zat er met gebogen schouders bij. Zijn hoofd hing een lichtjes, af en toe keek hij langdurig weg uit het gesprek, de andere kant op. Aan zijn linkerpols droeg hij een dun, gouden armbandje, zijn mond stond zuinig. Of hij zijn omgeving registreerde was nergens uit op te maken.

Hij was oud.

Hij was moe.

Hij was, hoewel in gezelschap, alleen. Joop Schafthuizen zat nergens verdekt opgesteld.

De kroketten arriveerden.

Er werd gegeten.

Buiten scharrelde de schrijver Bas Heijne in de schappen van het Atheneaum Nieuwscentrum, bij het raam vertelde Rijk de Gooyer een mop. Jan Lenferink stelde voor om Adèle Bloemendaal te bellen, gezellig.

Aan het tafeltje van Reve was het alweer voorbij. Er werd betaald, opgestaan. Dick Gubbels schudde de schrijver de hand, Reve verdween met de vrouw in de richting van de steeg tussen Hoppe en café Zwart. Zelfs van achteren was hij goed te herkennen, hoewel zijn schuifelende, oude loopje enige verwarring zaaide. En weer liet hij het hoofd een lichtjes hangen. Alsof hij niemand zien wilde.

Of boos het plaveisel van de stad die hij haat in de ogen wilde kijken.

De vrouw liep naast hem op een manier die verraadde dat ze hem liever een arm zou geven, of vast zou willen pakken. Ze deed het niet, wat jammer was - want het zou mooi zijn geweest om Reve die zorgzame hand af te zien schudden.

Toen ze om de hoek waren verdwenen, was het net alsof Gerard Reve nooit op het Spui was geweest. Het was een verschijning geweest en inmiddels is Reve dood.

Geschreven op 09 april 2006